Utrecht 1 Dit tiental kwam uit in de meesterklasse van de KNSB. Ook in de laatste drie ronden ging Utrecht 1 ten onder, al was de winst soms heel dichtbij. Degradatie was een feit. Verslag ronde 1. SC Utrecht 1 onderuit tegen Kennemer Combinatie Verslag ronde 2. SC Utrecht 1 kan stunt tegen En Passant niet herhalen Utrecht 2 De heren en dame van Utrecht 2 speelden in de 3e klasse KNSB, groep 3D, evenals Oud Zuylen 1. De onderlinge wedstrijd werd 4-4. Verslag van Oud Zuylen 1 – Utrecht 2 En nog een verslag van deze wedstrijd door Marc Schwartz Verslag van Fischer Z – Utrecht 2 Meer verslagen…
-
-
OZ5, seizoen 2015-2016
Het vijfde achttal kwam uit in groep 3A van de SGS.
-
OZ4, seizoen 2015-2016
OZ 4 kwam uit in groep 4B van de SGS.
-
Pillsbury – Lasker (1896)
Remise? Hans Bouwmeester Korte remisepartijen worden door het schaakpubliek en sponsors niet op prijs gesteld. Het is een oud probleem en er is niets aan te doen. Als twee spelers tevreden zijn met remise, dan gebeurt dat, op welke manier dan ook. Organisatoren zullen zich ermee moeten verzoenen. Onlangs speelden in Linares zes wereldtoppers en een Spaanse coming-man een dubbelrondig toernooi. Tachtig procent van alle partijen werd remise. Sommige waren nauwelijks meer dan theoretische schermutselingen. Kramnik werd winnaar met twee mooie overwinningen en tien remises, waarvan er zeven in weinig zetten tot stand kwamen. Er is inmiddels veel over geschreven en Kramnik heeft zelfs openlijk spijt betuigd. In oude toernooien…
-
Steinitz – Pillsbury (1896)
“Het loopt met mijn oude krachten op z’n eind.” Hans Bouwmeester “Ik ben een oude man, maar als men mij een vinger in de mond steekt dan bijt ik!” Een bekende uitspraak van heren op leeftijd. Naarmate een mens ouder wordt heeft hij vaker de neiging terug te denken aan de goede oude tijd, de tijd dat hij met jonge ogen de wereld inkeek. En zo zie ik ze nog vaak voor me, mijn oudere schaakcollega’s met wie ik zo vaak op reis ben geweest voor olympiades, landenwedstrijden, klein vierkampen in de provincie of ontmoetingen voor de nationale clubcompetitie. Max Euwe, Lodewijk Prins, Theo van Scheltinga, Nico Cortlever, Pim Mühring,…
-
Pillsbury – Lasker (1896)
Mijn grote voorgangers Hans Bouwmeester Er worden schaakpartijen gespeeld die richtingbepalend zijn voor de geschiedenis van het spel. Dat zijn meestal gevechten op hoog niveau, niet altijd foutloos, maar met hoogtepunten op strategisch en taktisch gebied. Het is dan soms of spel, kunst en wetenschap elkaar naderen en samensmelten tot een fascinerend geheel. Soms maken zulke partijen ook slachtoffers. Dat zijn dan de verliezers, die alles ingezet en gegeven hebben en desondanks geen bevredigend resultaat bereiken. Men moet geestelijk sterk zijn om een dergelijke slag te boven te komen. De schaakgeschiedenis kent vele voorbeelden. Na negen ronden in St. Petersburg 1895/96 staat Pillsbury met 6,5 aan de leiding en Lasker…
-
Tarrasch – Lasker (1895)
Wereldkampioenen vroeger en nu Hans Bouwmeester Maar Emanuel, kun je nou niet meer tellen?! De match in Londen tussen Kasparov en Kramnik is niet alleen een gevecht geweest van man tegen man. Het was tevens een strijd tussen twee teams van specialisten. Beide spelers beschikten over een groep secondanten, die ongetwijfeld al vele maanden bezig zijn geweest met het voorbereiden van openingssystemen. Spelers willen graag in varianten terechtkomen waarvan zij de doorwerking terdege kennen en, vooral, ze willen bepaald niet graag in een vijandelijke huisanalyse verstrikt raken. Kramnik heeft min of meer overtuigend gewonnen; een succes voor hem en zijn team. Zijn score is zeker niet geflatteerd want Kasparov heeft…
-
Tarrasch – Tsjigorin (1895)
Maat en kwaliteit Hans Bouwmeester In de grijze oudheid demonstreerde de grote Steinitz eens een schaakpartij aan de problemist Samuel Loyd en vroeg hem toen of hij iets kon zeggen over de kwaliteiten van de beide spelers. Het bleek een uiterst moeilijke opgave want Loyd, een bijzonder intelligent man en een goede schaakspeler, zat er wel erg ver naast. Onlangs nam ik zelf eens een proef met één van mijn schaakvrienden, een goede clubschaker met een redelijke kennis van schaakliteratuur. Ik toonde hem de volgende partij: 1.e4 e5 2.Pc3 Pf6 3.d3 d5 4.exd5 Pxd5 5.De2 Pc6 6.Ld2 Le7 7.0-0-0 0-0 8.Df3 Le6 9.Pge2 f5 10.Dh3 Dd6 11.Pxd5 Dxd5 12.Pc3 Da5…
-
Tsjigorin – Pillsbury (1895)
Het speeltempo vroeger, nu en in de toekomst Hans Bouwmeester Het maken van blunders hoort bij het schaakspel. De laatste tijd krijgt men de indruk dat het verschijnsel in hevigheid toeneemt. De GMA-toernooien (in Rotterdam 1989 was het heel erg) spreken duidelijk taal. En het betreft hier niet de beste spelers van de wereld. Sinds het tempo van 40 zetten in twee uur en vervolgens, zonder de partij te onderbreken, 20 zetten per uur, is ingevoerd, is de kwaliteit van de schaakpartijen tussen grote meesters duidelijk teruggelopen. Is dat zo erg? Een vraag voor organisatoren, die graag uitslagen zien, voor het publiek, dat dol is op fouten van anderen. Zes…
-
Staunton – Horwitz (1851)
De zoon van “William Shakespeare” Hans Bouwmeester In de geschiedenis heeft Howard Staunton (links in beeld) het beeld achtergelaten van een zuur verliezer. In 1844 ontsnapte hij aan de revanche-match tegen St. Amant, 1851 gunde hij in Londen Adolf Anderssen zijn triomf niet en in 1857 maakte zich met allerlei uitvluchten van de tweekamp met Paul Morphy af. Hij kwam eigenlijk pas honderd jaar na zijn dood positief in de publiciteit, toen Bobby Fischer hem onder de tien grootste schakers aller tijden rangschikte. Fischer roemde Stauntons diepe openingsanalyse en noemde diens partijen “compleet modern”. Staunton had twee grote hobby’s: schaken en Shakespeare. Over de vraag wie zijn vader was hebben…