ahogar pat zetten
ajedrecista schaker, schaakster
ajedrecístico (bijv. naamwoord) schaak-, het schaakspel betreffend
ajedrez schaakspel, (het) schaken; jugar al - schaken
ala vleugel; - (de) rey/dama konings-/damevleugel
alfil loper => raadsheer; - malo/bueno slechte/goede -
anotación notatie
anotar noteren
apertura opening; - de líneas het openen van lijnen
aplazamiento 1.uitstel (v e partij) 2.het afbreken
apremiado por el reloj in tijdnood
apremio del tiempo tijdnood
rbitro scheidsrechter
arcidriche (ant.) schaakbord
arfil (arch., Spaansamerikaans) loper
avance opmars
avanzar naar voren zetten
bando speler, kleur
blanca, las -s de witte stukken; wit, de witspeler
caballo paard
calidad kwaliteit
calle open lijn of rij
casa veld, hokje, ruit (op speelbord)
casilla veld, vak (speelbord); - de coronación promotieveld
centralización centralisatie
clavada penning
clavar pennen
columna lijn; - alfil c- of f-lijn
comer slaan, nemen (schaakstuk, damschijf)
compensación compensatie
compensar compenseren
computador de ajedrez schaakcomputer
contraataque tegenaanval
contrajuego tegenspel
coronación promotie, het halen v e dame of ander stuk
coronar laten promoveren; - un peón een pion laten promoveren => een dame halen
cubrir dekken
dama dame, koningin
debilidad de la £ltima fila zwakte van de onderste rij
defensa verdediging; la - siciliana de Siciliaanse verdediging
desarrollo ontwikkeling
desquite revanche
diagonal diagonaal
echar spelen; -- una partidita de ajedrez een partijtje spelen
empatar gelijk eindigen, (bij uitbreiding) remise maken
empate gelijkspel, onbesliste uitkomst
enrocar rokeren
enroque rokade; corto/largo - korte/lange rokade; falso kunstmatige rokade
entablar 1. in remise eindigen 2. opzetten (van (schaak)stukken)
entable stelling, positie (van stukken of schijven op een speelbord)
escaque veld; -s (literair taalgebruik) schaakspel
figura (schaak)stuk
fila rij
final eindspel
flanco vleugel, flank; - (de) rey/dama konings-/damevleugel
gambito gambiet
ganancias winst; - materiales materiaalwinst
gran maestro grootmeester
hueco zwak veld => gat
jaque schaak; estar en - schaak staan; - continuo eeuwig schaak; - mate (schaak)mat; tener en - schaak zetten, bedreigen (ook fig.)
jaquear (intransitief) schaak geven; (transitief) schaak geven, - zetten; 2. (fig.) bestoken, lastig vallen
jugada zet; - clave sleutelzet
lance zet
línea rij; la primera/octava - de onderste rij
maniobra manoeuvre, zet, slimme zet
mate (schaak)mat; dar - mat zetten
medio juego middenspel
mover zetten, een zet doen
movimiento zet
negra, las -s de zwarte stukken; zwart, de zwartspeler
oposición oppositie
pareja de alfiles loperpaar
paso, coger al - en passant slaan; tomar al - en passant slaan
peón pion; - aislado geísoleerde pion; - asado vrijpion; -es pasados ligados verbonden vrijpionnen
profilaxis profylaxe, -is
promoción promotie; - menor minorpromotie
reanudación hervatting/het uitspelen (v e schaakpartij)
reina koningin, dame
rey koning; - ahogado pat
salir beginnen, de eerste zet(ten) doen, openen
sobrecarga overbelasting
tablas 1.remise 2.patselling (fig.); acordarse las - remise overeenkomen; hacer - remise maken; quedar en - remise worden, onbeslist blijven
tablero de ajedrez (schaak)bord
tensión central spanning in het centrum
tiempo 1.tijd 2.tempo (muziek, schaakspel)
torre toren => kasteel (schaakstuk); la - dama de dametoren
trebejo (schaak)stuk
variante variant
ventaja voordeel; con (leve/gran) - de las blancas/negras wit/zwart staat iets/veel) beter; una pieza de - een stuk voor
zugzwang Zugzwang, zetdwang