• Peut – Bunge (1979)

    Posted on februari 18, 2016 by in 1960 - 2016

    Honderd jaar eenzaamheid

    Lucas Bunge

    Lucas Bunge, uitgever van het boek Eeuwig schaak en reeds lange tijd schaker bij Schaakclub Utrecht. Hier boven in beeld, anno april 2003. In dit stukje proza geeft Lucas Bunge een aardig beeld van de kwellingen die de gemiddelde schaker zo ongeveer meemaakt achter het bord! Uuit het jubileumboek 100 jaar SCU.

    De knoeier, tiende bord, zesde tiental, uitwedstrijd: ‘hij ziet er uit als een slimme wiskundestudent, o jé, en wat schrijft hij precies in z’n notatieboekje. Van dat soort psychastene schakers verlies ik meestal … ja, prettige wedstrijd. Wat zet-ie vastberaden en geroutineerd die e-pion naar voren, echt dat goede-schakersgreepje. Kwam de koffie maar. Enfin, ik speel maar Siciliaans, daar weet ik tenminste nog een paar zetten van. Wat een eng schaaklokaal is dat hier, met die schoongewassen muren, en die plastic tafels. Wat denkt-ie kort, zou hij de weg weten in al die varianten? Rustig aan maar. Netjes m’n tijd verdelen. Tiende zet, niet meer dan een half uur verbruikt, is toch netjes? En ik sta nog niet verloren, sterker nog, het lijkt wel of ik beter sta. O God, nou speelt-ie ineens h4, dat overkomt me nu altijd in die Siciliaan, dat ze m’n koningsstelling omver lopen. Wat moet ik doen? Wat moet ik doen? Kalm, kalm. Staat in de boekjes niet dat je in het centrum een tegenstoot moet doen? Vooruit, kan d5? Doe ik d5, doet-ie dat … doe ik dit … doet hij dat … o jezus nee, hij slaat er tussendoor met schaak, of zie ik het verkeerd … nog eens, doe ik dit … doet hij dat … doe ik dit … doet hij dat … wat heb ik dan? Twee stukken en wat heeft hij? Een toren met twee pionnen, wat is nou meer, zal ik het durven? Hoewel, hij ziet er zo goed uit, die jongen, ik laat het er maar niet op aan komen. Maar wat moet ik dan doen? Kan h5 eigenlijk kwaad? Moet ik me druk maken? Als ik nou gewoon verder ontwikkel, of zou ik b6 aandurven, o gut nee, dan komt die lange diagonaal open, wat moet ik dan doen? Vooruit maar, Dc7, geeft druk op e5 staat in de boekjes, het ziet er nogal echt uit … nee, dank u, geen koffie meer, ik moet toch altijd al zo pissen van dat schaken. Hè, hè, even rustig terugleunen, ik sta eigenlijk erg solide. Maar nu moet ik toch een plan maken, dat lees je ook altijd. Kom, laat ik daar eens over denken, in zijn tijd, dat is altijd mooi. Waar liggen mijn kansen eigenlijk? Wist ik maar iets van strategie, misschien moet ik toch eens echt les nemen of serieus zo’n Euwe-boek gaan bestuderen, maar dan met het schaakbord op tafel in plaats van dat bekijken van de diagrammen en de paar zetten lezen tot je het niet meer ziet … Mijn hemel, daar komt-ie, op de koningsvleugel, steeds verder, moet ik nu verzwakken of niet? Soms is zo’n pionzet nodig en dan weer hoor je dat het juist niet moet. Laat ik nu eerst eens ergens anders kijken, er dreigt toch niks? Even een blik op het negende bord, dat geeft hem ook een indruk dat ik de situatie beheers. Ja, die jongen is toch eigenlijk beter dan ik, terecht dat hij daar zit. O, o, wat ziet dat er harmonisch uit, als ik maar niet het eerste van alle tien een nul scoor, verliezen doe ik toch wel, maar zo gauw al, dat liever niet. Terug maar naar m’n eigen bord. Even dat paard met z’n neus naar voren zetten, j’adoube. Ja, ik ben zo neurotisch met de plaatsing van die stukken, ze moeten precies in het midden van het veld staan, hè, nou weer kriebel op m’n hoofd, en ijzig kouwe voeten gekregen. Nou jongen, concentreer eens even. Hé, als ik nu eens Pe4 speel, dreigend … dan moet hij wel nemen, ik neem terug, dan dit, dan dat … kan dat echt, nog eens serieus kijken, heel kalm nu, dit, dat, dit, hij moet wel dat, verdomd, het is echt goed, geloof ik, laatste keer. Dit, dat, dit, dat, en dan win ik toch die pion? Nou, vooruit maar, je kunt ook te wankelmoedig zijn. En nu niet triomfantelijk die klok indrukken, juist heel kalm. Dat staat zo mooi. Kijk hem, hij is aan het ja ja knikken, stilletjes, hij ziet het, maar z’n gezicht staat niet vrolijk. Het is toch goed, wat ik deed? Nog eens kijken? Dat, dit, dat, ja hoor, kan niet missen, wat is het toch een lekker gevoel die macht van het betere spel te hebben … Wilt u wat drinken? Nee? Nou, dan haal ik maar een pilsje. Hoewel, even afwachten wat hij doet. Daar komt-ie. Wat nou? Wat krijgen we nou? Dat is toch niks, hij neemt niet eens? Wat bezielt die kerel? Geeft hij het nou helemaal cadeau? O, God, nou zie ik het, wat een klotezet, ogutogutogut, wat hen ik toch een lul dat ik dat niet zag aan komen, kalm, kalm blijven nu. Er is nog vast wel een verdediging. Even systematisch blijven. Hij dreigt dit, doe ik dat, pakt-ie daar, ik neem terug, maar dan doet-ie dat, nou, so what? Dondert toch niet? Hoewel … ander idee, ik offer daar, hij slaat terug, maar dan doe ik dat, ja, dat ziet er goed uit, typisch zo’n zet die je op intuïtie doet, niet te lang nadenken, pats, wat dacht je daar van? Loper achter, maar wat een gouden stelling, open c-lijn voor mij, z’n paard helemaal buiten spel, en een echte klassieke doorbraak in het centrum. … O, o, wat een ellende toch, dat schaken, ik moet nu wel door … wat zegt u? Of ik remise wil? Ja, even aan de captain vragen, dat hoort toch zo? Nou, dat halve punt heb ik in ieder geval, ook leuk om nu gewoonweg op winst te spelen en als antwoord een zet te doen, dat doen die echte grootmeesters toch ook? Maar wat voor zet? O, is remise goed? Nou, vooruit dan maar, wat een slap handje geeft die kerel, had ik maar doorgespeeld, tegen zo’n karakter moet je toch eigenlijk kunnen winnen …’

    Nogmaals Lucas Bunge.

     

    Peut – Lucas Bunge
    Interne, februari 1979 (Commentaar van Lucas Bunge – uit het clubblad van 1979)

    Het denken van deze doorsnee schaker – ach, was het maar zo consistent, zo zonder bijgeluiden (zou een musicus zeggen), dan schaak ik ten minste zo goed als Erik Olof. Maar bij ‘middenmoters’ gaat dat helaas nog anders… Donderdagavond 19.50 ren ik binnen. Tegen wie moet ik – wat is mijn plaats op de ladder, gauw kijken … 35, valt mee. Van der Peut – gezellig, een prettige tegenstander, opent rustig en komt langzaam op temperatuur … “Zullen we maar? Prettige partij toegewenst!” O, hij opent
    1.d4 Vooruit maar, ik ga Hollands spelen; dat geeft toch kans op initiatief op de koningsvleugel? Laat ik proberen of ik in de Leningrad-variant kan komen.
    1…f5 2.Pf3 Gelukkig geen Staunton-gambiet, daar heb ik nog nooit tegen gespeeld moet je dat weigeren of aannemen? Enfin, het is niet aan de orde. Wat nu: eerst Pf6 of eerst g6? Zijn dit soort vragen al relevant? Ik weet dat nooit. Eerst maar de pion, misschien wil ik het paard niet naar f6 laten gaan.
    2…g6 Nog geen stuk ontwikkeld, maar dat komt zo wel.
    3.h4!? Wat is dat nou?! Is-ie gek geworden? Heeft hij dat voorbereid? Ik kijk mijn tegenstander aan – niets te bespeuren. Even rustig en evenwichtig als altijd. Maar ik! Zeker een liter adrenaline in mijn bloed – bonzende ritmes overal. Wat wil hij? Denkt hij een herdersmat te bereiken? Stel je voor, ik word er binnen een paar zetten afgemept – dat nooit! Kalm blijven. ‘De ontwikkelaar’:
    3…Pf6 kan nog geen kwaad.
    4.h5!? Wat nou? Dat heb ik nog nooit gezien. Kan ik nemen? Hij zal toch niet offeren? Vooruit maar – bewijs je gelijk maar. Hartslag 120, bloeddruk 150.
    4…Pxh5
    diapeutbunge15.Txh5?!
    Blats! – Nou dat weer. Tien minuten is die partij oud, en nu al dit geweld! Naast mij doet Voogd nog maar de eerste schuchtere zetten van een rustig Damegambiet, terwijl ik al een open h-lijn te bevechten heb. Enfin, nu maar doorhakken natuurlijk:
    5…gxh5 Die kwaliteit plus pion heb ik tenminste. Of is dit misplaatst materialisme, dat binnen een paar zetten afgestraft wordt?
    6.e4 O jee. Nu begint pas een beetje bij me te dagen wat zijn snode bedoelingen zijn. Laat ik rustig worden. Altijd eerst kijken of het voor de hand liggende fout is. 6… fxe4. Dan doet hij Pe5 en dreigt toch dat mat op h5. Nee, beter die pion dekken: 6… e6. Op Pe5 dek ik dan h5 met 7… Dh4. Dan 8.g3 Dh1 en hoewel het in geen openingsboekje staat, voel ik mij nog niet verloren. Nog eens herhalen voor mezelf, want ik kan me altijd zo moeilijk voorstellen hoe de stukken staan als ze er niet staan … Nee, ik moet eerst een plasje doen, zo meteen nog even goed nadenken. Als ik dit overleef, kom ik wel verder. Vooruit dan maar, na twintig minuten.
    6…e6 7.Pg5 De andere kant op! Minder sterk dan Pe5, denk ik zo. Ik speel:
    7…Df6 En als hij Dxh5 doet, dan mooi Dg6. Kan 8.e5 kwaad? Nauwelijks. Wat kan hij nog meer doen? 8.g4? Onzin. 8.exf5 exf5 gooit de e-lijn open, maar lijkt zonder gevaar. Vooruit maar.
    8.Le2 Wat?? Helemaal niet prettig! De pion op h5 gaat verloren, à la, maar dan wordt f7 nog zwakker. Ik zie een paardvork als ik de koning profylactisch op d8 denk, of zelfs een witte loper op g5. Heeft spelen met de loper op f8 zin? Ik weet het niet, maar een 0-0 zit er hier toch niet in. Zal ik het paard verjagen en g5 onder controle nemen?
    8…h6 9.e5 Waarheen met de koningin? Niet 9… De7, want dan 10.Lxh5 Kd8 en Pf7. Natuurlijk ook niet Dg6, dus maar
    9…Dg7 10.Lxh5+ Ke7 Maar nu moet hij toch weg met zijn paard, dan sla ik lekker op g2 in, en dan zien we wel weer – maar ach, ach, ik heb nog geen stuk om mee te spelen, kijk die damevleugel eens… !
    diapeutbunge211.Dd2 Mooi, dat dubbele lopermat! Is ’t echt goed? Ja, twee keer moet ik toch kijken, hoe eenvoudig het ook is. Mooi, Peut! Achteraf menen we te zien dat wit na 11.Ph3 Dxg2 12.Pf4 Dg1 en dameruil beter blijft staan en dat dus boven de esthetiek had moeten stellen – maar ja, een filosoof… Laat ik maar een luchtgaatje maken:
    11…d6 12.exd6+ cxd6 13.Dc3

    .

    .

    .

    diapeutbunge3Lange tijd besteed ik aan de vraag wat ik terugkrijg voor vrijwel mijn hele damevleugel: 13… hxg5 14.Dxc8 Txh5 15.Dxb7 Pd7 16.Dxa8 Th1 17.Ke2 Dxd4. Nu ik het opschrijf, vind ik dat ik toch wel vrij diep kan kijken, al is het een mistige boel aan het einde, want wat zet hij dan? Ik geloof nog net te ontwaren dat in die stelling de diagonaal h1-a8 open is en dat hij dan met 18.Df3 de zaak redt (wat trouwens ook al niet waar is: 18… Dd1 19.Ke3 Te1 en mat; dan is 18.Pd2 beter, maar ook niet afdoende). Maar ik ben helemaal niet bij machte de materiële verhoudingen te becijferen die aan het einde van die rit ontstaan – liever maar rustig. Ed zegt altijd: “Je kans komt altijd weer.” Dus:
    13…Pc6 Sluit het gat op de c-lijn af en ontwikkelt. Ik sta lekker, vind ik ineens, en loop even rond. Nou moet-ie toch waarachtig weg met zijn paard – hoewel, wat doe ik op 14.d5? Dameruil op c3, en dan Pe5? Afwachten maar. Ik heb nu toch al gezet. Gelukkig doet hij:
    14.Pf7 Bang is-ie niet! Doordouwen nu!
    14…Dxg2 15.Lf4 Jasses, dat inslaan op d6 mag ik nooit toelaten – voordat ik die loper op h5 pak via Dh1 wil ik eerst met een schaakje op e4 zijn andere raadsheer naar e3 drijven.
    15…De4+ Nee hoor, toch te simpel gedacht:
    16.De3 Dames ruilen of niet? Ik tel eens en bedenk dat ik d6 toch niet houd. Nee, nu maar verder, die loper op h5 mag ik niet laten gaan.
    16…Dh1+ 17.Kd2 Dxh5 18.Pxh8 Lg7
    diapeutbunge4Het paard ziet de stal niet meer terug, maar wat erna komt is te gruwelijk om in extenso te worden vermeld. Na veel fouten aan beide zijden gaan we allebei vrijwel gelijk door onze klok. En waarom zwart en niet wit wint, is niet helemaal duidelijk – en misschien ook niet helemaal rechtvaardig; maar bij het afbreken heb ik toevallig een toren meer en dat is genoeg.

    0-1

Comments are closed.