• Ontstaan van SCU, visie Olland

    Posted on februari 24, 2016 by in 1800 - 1918

    Olland vs Olof

    Robert Beekman

    In het vorige jubileumboek Eeuwig Schaak (100 jaar Schaakclub Utrecht) poneert Erik Olof de volgende stelling.

    De conclusie ligt voor de hand en kan bij deze getrokken worden: de ‘Utrechtsche Schaakvereeniging’ is de werkelijke oorsprong van Schaakclub Utrecht en vloeit als vanzelf over in de SC. Utrecht, na een aardig intermezzo als afdeling van de schaakbond. Wat mag nu het voorstel zijn, bij de viering van het eeuwfeest van de Schaakclub Utrecht? Gewoon doen alsof de club honderd jaar bestaat en als alle festiviteiten achter de rug zijn, maken we laconiek bekend dat het eigenlijk 115 jaar is.

    De kern van Olofs betoog is dat Schaakclub Utrecht, opgericht in 1886, een doorstart is van de Utrechtsche Schaakvereeniging, opgericht in 1871.

    Olof gaat hiermee lijnrecht in tegen de beschrijving van Olland. In het clubblad van 8 maart 1923 schrijft deze het volgende:

    Olland in eerste jaargang clubblad SCU d.d. 1923
    “Wat nu was de aanleiding dat hier in Utrecht een club werd opgericht terwijl toch nog pas enkele jaren voordien de Utrechtsche Schaakvereeniging langzaam was doodgebloed door gebrek aan belangstelling? Slechts enkele getrouwen, de kern van de vereeniging, die niet bij machte geweest waren de catastrophe af te wenden, besloten thuis om beurten schaakavonden te houden. Op deze schaakavonden, waar ook “qui perd gagne” werd gespeeld, trad schrijver dezes (RB: Olland zelf) als broekje het eerst in het strijdperk met de Utrechtsche grooten. Het waren de gebroeders Van Rennes, de heer F.H. Klokke en de heer Lefevre, de voorzitter van de opgeheven club, die geregeld om de 14 dagen bij elkaar bleven komen om hun partijtje te spelen, allen menschen die vele jaren het schaakvaandel hoog gehouden hadden, maar die niet bij machte geweest waren, door jong bloed hun vereeniging het leven te sparen. Hadden zij nog slechts enkele jaren volgehouden, dan zouden zij de voldoening gesmaakt hebben, hun vereeniging weer te zien opbloeien en zou Utrecht thans een schaakclub hebben die tot de oudste van ons land gerekend kon worden. Want er kwamen jeugdige krachten die, geen club vindende waarbij zij zich konden aansluiten, zelf het initiatief namen voor de oprichting van een nieuwe club, zonder een oogenblik eraan te denken dat de oude net ter ziele was gegaan.”

    Olland zegt hier heel duidelijk dat de oude club “ter ziele was gegaan” en dat er dus geen club in Utrecht was rond 1885, wat de aanleiding is tot de oprichting van een nieuwe, want de nieuwe generatie wil graag een club waar men tegen andere schakers kan schaken.

    De reactie van Olof hierop: “Een interpretatie die te veel in pessimisme is gedrenkt. Genoemde kern was net zo’n Gideonsbende als die van het Deventer ‘Pallas’, dat immers met vier leden nog door ging. En ook het Nijmeegse Strijdt met Beleid, dat volgens Van Lennep ‘den doodsslaap’ leek te zijn ingegaan, heeft het mogen overleven.”

    Echter: dit klopt niet. Olland geeft geen interpretatie, maar een getuigenis. Niet eens uit de tweede hand, maar uit de eerste hand. Sterker nog: het is een beschrijving van de HOOFD getuige omdat hij één van de oprichters van de club is en óók nog als tiener bij de Utrechtsche Schaakvereeniging heeft meegedaan, zoals hij boven zegt.

    Trouwens, hij is niet de enige die een ‘getuigenverklaring’ aflegt. Ook voorzitter Hogewind, die ook bij de oprichting in 1886 aanwezig was, memoreert in het Utrechtsch Nieuwsblad van 9 oktober 1911 (bij het 25-jarig bestaan) de oprichting van de club in 1886. En los van zijn artikel in 1923 herhaalt Olland hetzelfde in zijn In Memoriam van Prange en van Van Rennes.

    Olland (In Memoriam van Van Rennes):
    “De hulde, die de Schaakclub Utrecht hiermede bracht was zeker verdiend. De jaren liggen reeds ver achter ons, toen Van Rennes bekend stond als één der allerbeste spelers zoo niet de sterkste speler van Utrecht. Het was ongeveer in 1880, voor het ontwaken van het nieuwe schaakleven in Utrecht, dat Van Rennes met enige andere destijds bekende schakers de ziel was van de Utrechtsche Schaakvereeniging. Helaas moest deze vereniging, kwijnend als het schaakleven in die tijd was, ontbonden worden door gebrek aan belangstelling. Met enkele getrouwen bleef Van Rennes echter in eigen kring geregeld eenmaal per week een avond aan het schaakspel wijden, totdat de nieuw leven brengende schaakbeweging, die door ons land ging in de jaren 1880 -1885, ook Utrecht bereikte. Voornamelijk door de geestdrift van de heer P.A. Wennekendonk en Dr. A.J.A. Prange, destijds student, verenigden zich enige jeugdige spelers hier ter stede tot een afdeling van den Nederlandschen Schaakbond om weldra over te gaan tot het oprichten van de Schaakclub Utrecht. Van Rennes was één der allereersten, die zich bij de nieuwe beweging aansloot. Als mede-oprichter van de Schaakclub Utrecht behoorde hij van de aanvang af tot de sterkste spelers en tot de meest getrouwe bezoekers der clubavonden.”

    Het verhaal

    Dit betekent dus dat Olof een goed verhaal moet hebben om te stellen dat Schaakclub Utrecht een doorstart van de Utrechtsche Schaakvereeniging is. Want andere getuigenissen dan die van Olland en Hogewind zijn er simpelweg niet. In 1923 verschijnt pas voor het eerst een clubblad en in de kranten stonden alleen maar korte berichten.

    Laten we eerst het verhaal van Olland op een rij zetten, in de juiste volgorde:

    1. Prange toont zich op het NK van 1885 te Den Haag (waar ook de bondsvergadering plaatsvindt) bereid om in Utrecht, waar hij studeert, een Utrechtse afdeling van de Nederlandse Schaakbond op te richten.
    2. Arnold van Foreest wijst hem op de gebroeders Olland uit Utrecht die iedere keer de opgaven correct beantwoorden.
    3. Prange gaat terug naar zijn woonplaats Utrecht en vindt daar de gebroeders Olland alsook Wennekendonk bereid om samen een afdeling van de bond op te richten.
    4. Na een oproep in de krant (september 1885) melden zich al snel een aantal mensen aan.
    5. Ze schaken een tijdje in Tivoli op zondagmiddag, maar zijn niet tevreden omdat ze vinden dat er ook een club moet komen in Utrecht.
    6. April 1886 wordt door dezelfde groep de Schaakclub Utrecht opgericht.
    7. Direct na het NK in september 1886 te Utrecht (het door de Bond toegezegde PR-instrument om meer leden te werven in Utrecht) gaat de competitie van Schaakclub Utrecht van start in Hollman-Groyen op maandagavond.

    April 1886? Hoe komt Olland daarbij, vraagt Olof zich al schrijvende af. Vergist hij zich wellicht omdat Olland zelf in april jarig is? In het clubblad van 1925 staat immers heel duidelijk: “Schaakclub Utrecht, opgericht op 5 oktober 1886”. En Olland is op dat moment hoofdredacteur. Braaf hebben alle redacteuren de volgende 85 jaar de datum van 5 oktober 1886 overgenomen, er van uitgaande dat Olland toch zou moeten weten hoe de vork in de steel zit.

    Olof gaat vervolgens het hele spoor van Ollands verhaal na door alle edities van Utrechtsch Dagblad na te lezen. Een waar huzerenstukje, echt monnikenwerk. Voor alle beweringen van Olland vindt hij tastbare bewijzen. Hij vindt het puzzelwerk van Olland, hij vindt de oproepen in de krant, enzovoorts. Behalve de oprichting in april 1886. Toch vreemd.

    Voor 5 oktober vindt hij wel bewijs. In het Utrechtsch Dagblad van woensdag 6 oktober 1886 staat immers de volgende tekst: “Het bestuur van de Schaakclub Utrecht heeft zich aldus geconstitueerd. G.H.B. Hogenwind, voorzitter. E.L. Olland, secretaris. C.E.H. Klokke, thesaurier. Het voorstel van het bestuur om den heer H.H. Baudet tot eere-voorzitter te benoemen, werd bij acclamatie door de leden aangenomen.”

    En dit is helemaal vreemd. Erik Olof:

    “Waarom wordt Baudet erevoorzitter op het moment dat de club wordt opgericht? Het erevoorzitterschap (en erelidmaatschap) is er toch voor bewezen diensten? Dit duidt op een verleden. (…) Olland er nog maar op nagelezen. Zijn artikelen over de geschiedenis van de Schaakclub Utrecht, in het clubblad van 1923. In het openingsartikel van 8 maart noemt hij Baudet tot tweemaal toe ‘onze eerste voorzitter’. Dat geldt dus voor de periode voor 5 oktober 1886. Iedere twijfel is weggenomen. De club bestaat al langer. Volgend punt.”

    Ja, hoe kan het dat men bij de oprichting van onze club Hogewind voorzitter maakt en vervolgens Baudet erevoorzitter? Welnu, laten we beginnen met een simpele constatering die voortvloeit uit de afbeelding hieronder.

    ollanderevoorzitter

    Als Olland het internationale toernooi van Haarlem wint en de titel van Meester verkrijgt, wordt Olland tevens kampioen van Nederland, wat voor Schaakclub Utrecht aanleiding is om Olland in 1901 het Eere Voorzitterschap te geven.

    Wat is hier vreemd aan? Die man is toch van onmisbare betekenis geweest voor onze club? Heeft de club opgericht, zeker dertien keer clubkampioen, vele jaren voorzitter, erevoorzitter, redacteur van het clubblad, vier keer kampioen van Nederland? Ja, dat is waar. Maar het vreemde is dat Olland in 1901 het erevoorzitterschap krijgt terwijl hij nog nooit voorzitter is geweest. Baudet is namelijk de eerste en Hogewind de tweede voor 25 jaar. Olland is later alsnog voorzitter geworden van onze club, maar is op het moment dat hij het Eere-voorzitterschap kreeg, dus NOOIT voorzitter geweest. In zijn historische artikelen van 1923 vindt Olland dit zelf overigens ook bedenkelijk.

    N.B.: Schaakclub Utrecht heeft slechts drie keer in haar geschiedenis het erevoorzitterschap uitgereikt. Baudet was de eerste, Olland de tweede en en A.H. van Wijngaarden in 1945 de derde, maar die is wel bijna 20 jaar voorzitter geweest.

    Nog vreemder is het volgende. Ik zou zelf inderdaad denken dat ook het erelidmaatschap een verleden suggereert. Maar als Arnold van Foreest bij ons lid wordt in 1905, is hij dus al erelid. Onmogelijk! Zult u zeggen. Maar wel degelijk waar. Wie nu naar de lijst van ereleden kijkt, zal niet vreemd opkijken dat Arnold van Foreest erelid is omdat die man vreselijk lang bij onze club gespeeld heeft en heel veel voor onze club gedaan heeft, waaronder vele bestuursfuncties. Maar als hij bij ons lid wordt, is hij al erelid. Dat erelidmaatschap krijgt hij omdat hij in de 19e eeuw een keer een simultaan op onze club gegeven heeft. Een wel erg karig argument, mogen we stellen. Waarom zijn al die anderen die een simultaan gegeven hebben dan geen erelid geworden?

    De verklaring van Olland

    Maar goed. Het erevoorzitterschap van Olland en het erelidmaatschap van Arnold van Foreest geven aan dat ze niet per se hoeven te duiden op een verleden anno 1886. In die tijd denken ze daar anders over.

    Echter, Olland meldt inderdaad dat Baudet de eerste voorzitter is, wat voor Olof het bewijs van een verleden is. En als je Olland er op naleest, dan klopt dat ook. Volgens dat eerste artikel is Schaakclub Utrecht opgericht in april 1886. Baudet is toen overduidelijk voorzitter gemaakt, maar moet dat najaar weer vertrekken, waarna Hogewind voorzitter wordt. Olland schrijft immers dat Baudet maar een paar maanden voorzitter is geweest en wegens verhuizing Utrecht en de club verlaat, waarop hij erevoorzitter gemaakt is.

    Waarschijnlijk om uiting te geven aan hun waardering voor deze man. Of misschien alleen maar omdat hij de eerste voorzitter is. Duidelijk staat er in de krant van 6 oktober 1886: “Het voorstel van het bestuur om den heer H.H. Baudet tot eere-voorzitter te benoemen, werd bij acclamatie door de leden aangenomen.” April 1886 is de club opgericht en 5 oktober 1886 is dus de eerste ledenvergadering.

    Dit alles is dus geen bewijs van een doorstart vanuit de Utrechtsche Schaakvereeniging. Als Baudet voorzitter geweest is van de Utrechtsche Schaakvereeniging, dan krijgt hij waarschijnlijk het erevoorzitterschap wegens de diensten voor die Vereeniging en heeft Olof een goed verhaal. Echter, de laatste voorzitter van die club is Andries Lefevre geweest, wat in meerdere bronnen bevestigd wordt. Dus hier heeft Olof geen bewijs.

    Als Lefevre erevoorzitter van SCU gemaakt was, heeft Olof wel een bewijs. Want die is jarenlang voorzitter van de Utrechtsche Schaakvereeniging geweest, is aanwezig bij de oprichting daarvan, heeft in de redactie van Sissa gezeten, is aanwezig bij het thematoernooi van 1864, is één van de schakers bij wie de laatste jaren van de Utrechtsche Schaakvereeniging nog thuis geschaakt wordt, is geboren te 1814 dus in 1886 72 jaar oud. Als SCU een doorstart is, waarom maken ze dan niet als dankzegging Lefevre erevoorzitter? Diens bijdrage aan het schaken in Utrecht is immens.

    Olof in het vorige jubileumboek:
    “En in het jaarboek van 1885 wordt Prange door de Nederlandsche Schaakbond geroemd als degene die Utrecht binnenhaalt: De nieuwe afdeling die, dankzij de bemoeiingen van den heer Prange, sedert korten tijd te Utrecht gesticht werd, telt reeds op dit oogenblik 18 leden. Een jaar later zijn het er 30. Kennelijk heeft Prange nu de gehele Utrechtsche Schaakvereeniging overgehaald; in 1879 zou deze immers 28 leden geteld hebben.”

    Dit is simpel na te gaan. In het Bondsblad van 1887 staan de volgende leden bij de afdeling Utrecht vermeld:
    E.L.G.P.C. Andrau
    Mr. C.G. van Baerle
    H.H. Baudet
    E.D.H. Bürger Jr.
    P.J. de Charro
    I.L. van Eck te Driebergen
    G.B.H. Hogewind
    G.F.H. Klokke
    J.G.L. Küppers
    Dr. H.G.L. van der Meulen
    A.M. Mol
    P. van Mourik (bedankt voor 1988)
    A.G. Olland (1e Prijs 2e klasse 1886, 3e Prijs 1e klasse 1887)
    E.L. Olland
    N. C. Osti Jr.
    J. Peet Jr. te Hilversum
    J.H. Peet te hilversum
    J.A. Pfeil
    A.J.A. Prange
    D.W. van Rennes
    Jhr. O.J. Sickinghe te Zeist
    R.E. van Stolk
    J.H.T.C. van Ebbenhorst Tengbergen
    F.J.E. de Vreije
    A.G. Vreeswijk
    D. de Wilde (bedankt voor 1888)
    J.W. de Wilde.

    Tot zover de leden van de afdeling Utrecht in het bondsblad van 1887. Hieronder nu de lijst met leden van de Utrechtsche Schaakvereeniging.

    usc2

    De gedachte van Erik Olof dat Prange de gehele Utrechtsche Schaakvereeniging heeft overgehaald, is hoogst geflatteerd. Dit is simpel na te gaan in de lijsten hierboven. Er zijn maar twee die aantoonbaar lid zijn geweest van de afdeling Utrecht en de Utrechtsche Schaakvereeniging: Klokke en Van Rennes. Vreemd genoeg staat Wennekendonk er niet tussen. Lefevre, tabaksfabrikant, overlijdt in 1887, een jaar na het oprichten van de Schaakclub Utrecht en is geen lid van SCU geweest.

    En waarom worden er dan meerdere oproepen gedaan in de krant om lid te worden van Schaakclub Utrecht? Alle leden komen toch van de Vereeniging? Waarom staat er dan niet in de krant van 6 oktober 1886 zoiets als: “De Utrechtsche Schaakvereeniging maakt vanaf heden een doorstart als Schaakclub Utrecht”? Waarom wordt er dan eerst een afdeling van de Bond opgericht en vindt daarna pas de doorstart plaats? Er zijn gewoon te veel vragen waarop de hypothese van Olof geen antwoord biedt.

    Nog meer pijlen

    Olof heeft echter meer pijlen op zijn boog. Een belangrijk argument is dat er van de Utrechtsche Schaakvereeniging statuten gevonden zijn, dat hij geen bewijs kan vinden voor de opheffing ervan, en dat hij geen bewijs kan vinden van de oprichting van Schaakclub Utrecht.

    usc1Links een scan van de voorpagina van het bewuste oprichtingsdocument d.d. 29 augustus 1871. Olof noemt dit een formeel, statutair vastgelegd document.

    Echter, de regels zijn in die tijd anders. Pas in 1921 treedt de Handelsregisterwet en de Wet op de Kamers van Koophandel in werking. Pas in 1956 komt er een wettelijke regeling tot stand die bepaalde welke voorschriften bij het oprichten van verenigingen en stichtingen in acht moeten worden genomen. Tot 1957 heeft de overheid nauwelijks enige bemoeienis en pas ná 1957 vindt er een registratie van stichtingen plaats. Pas in 1976 wordt de taak van de Kamers van Koophandel uitgebreid met het bijhouden van het Verenigingen- en Stichtingen- Register.

    Schaakclub Utrecht gaat dan ook braaf in 1981 naar de Kamer van Koophandel, waar Henk Versnel, Piet Verhoeff en Ad Driedonks onze club als vereniging laten registreren. Dus de afwezigheid van statuten anno 1886 is niet vreemd.

    Een ander punt van Olof. In 1890 geeft Schaakclub Utrecht een instructieboek uit van ongeveer 80 pagina’s.

    theorieenpraktijk

    De ondertitel: ‘Uit de beste bronnen verzameld door eenige leden van de Utrechtsche Schaakvereeniging’, uitgegeven bij J.L. Beijers te Utrecht en te koop voor 60 cent. Het boek wordt twee keer herdrukt; de derde druk dateert van 1902.

    Opnieuw citaat Olof:
    “Opmerkelijk, de oude naam ‘Utrechtsche Schaakvereeniging’? Géén ‘Schaakclub Utrecht.’ Nou ja, maakt allemaal niet uit. De gebruikelijke slordigheid. ‘Utrechtsche Schaakvereeniging’, ‘Utrechtsch Schaak gezelschap’ ‘Utrechtsche Schaakclub’, ‘U.S.C.’, ‘Schaakclub Utrecht’, of simpel ‘Utrecht’. Steeds dezelfde club, onze club, opgericht in 1871.”

    Een goede vraag: waarom gaat Schaakclub Utrecht vier jaar na oprichting (!) een boek uitgeven onder vermelding: “verzameld door leden van de Utrechtsche Schaakvereeniging”?

    Welnu, ten tijde van 1886 is het Burgerlijk Wetboek van 1838 van kracht. Koning Willem I staat aan de basis hiervan. Hij vindt dat de wetten van Napoleon herzien moeten worden en laat nieuwe wetten schrijven, gebaseerd op vaderlandse recht. Dit wetboek van 1838 heeft lang standgehouden; pas in 1992 kwam er een Nieuw Burgerlijk Wetboek. Uit het Burgerlijk Wetboek van 1838 het volgende citaat.

    “Artikel 1890.
    Behalve de eigenlijke maatchap, erkent de wet ook vereenigingen van personen als zedelijke ligchamen, het zij dezelve op openbaar gezag als zoodanig zijn ingesteld of erkend het zij zij als geoorloofd zijn toegelaten, of alleen tot een bepaald oogmerk, niet strijdig met de wetten of met de goede zeden, zijn samengesteld.”
    (Ik deel nog maar even mede dat ik geen typfouten heb gemaakt.)

    En dan gaat het Burgerlijk Wetboek van 1838 verder met het recht om (economische) handelingen uit te voeren, enzovoorts.

    Het uitgeven van een boek is een economische handeling en het zou dus kunnen zijn dat de bestuurders van Schaakclub Utrecht bedacht hebben dat de club daar geen bevoegdheid voor heeft. Geen probleem! Hé, Klokke, Van Rennes en Wennekendonk: jullie hebben toch een vereniging met statuten opgericht? Kan die dat boek niet uitgeven? Helemaal geen slecht idee, want staat er niet in de statuten van die vereniging als enige doel vermeld: “Het Utrechtsch Schaak Gezelschap stelt zich ten doel het bevorderen van schaakkennis”? Nou, dat is precies wat dit boek beoogt. Bestaat die vereniging eigenlijk nog? Wat zeg je? Hij is nooit opgeheven?

    Ik zeg niet dat het zo gegaan is, maar het zou wel zo gegaan kunnen zijn. Het lijkt me althans een aannemelijker verklaring dan die van Olof. Die roept weer nieuwe vragen op, zoals: waarom zijn de statuten dan niet aangepast als de club een nieuwe naam krijgt? Een alleszins relevant detail, lijkt me. Of niet?

    Conclusie

    Erik Olof zet in het Jubileumboek Eeuwig Schaak ter ere van ons 100-jarig bestaan de teller terug van 1886 naar 1871. Ik, Robert Beekman, zet in het huidige Jubileumboek 125 jaar SCU de teller weer terug van 1871 naar 1886.

    Ik heb de conclusie voorgelegd aan Peter de Jong, die zich sterk verdiept heeft in de periode tot 1950 en in het bezit is van een ongelooflijk groot schaakarchief. Peter doorloopt dezelfde route en komt tot de conclusie dat er rond 1880 een vacuüm is geweest dat sowieso tot 1885 heeft voortgeduurd. Er is nog een clubje leden van de Utrechtsche Schaakvereniging dat om de week bij elkaar komt, later aangevuld met Olland. Peter sluit niet uit dat “ook Wennekendonk tot het bewuste groepje behoorde. Zeker als je kijkt naar de adressen. Van Rennes, Wennekendonk, Olland en Lefevre woonden op een steenworp afstand van elkaar!”

    In april 1886 wordt onze club opgericht, zoals Olland, oprichter en hoofdgetuige in dit verhaal, zelf vertelt. Op 5 oktober 1886 is de eerste Algemene Leden-Vergadering en dat najaar is de competitie begonnen. Dat Olland later kiest voor 5 oktober als startdatum, is een academisch feit. Hij had ook voor april kunnen kiezen.

Comments are closed.