• Nederlands kampioen in 1971! (2)

    Posted on februari 17, 2016 by in 1960 - 2016

    Het wonder van 1971

    Robert Beekman

    1971. Dat is het jaar waarin Schaakclub Utrecht kampioen van Nederland werd. Totaal onverwachts. Onverwachts, omdat net het jaar ervoor gepromoveerd was en niet verwacht werd gelijk door te stomen naar de titel.

    simultaan1977etmans

    Een paar jaar ervoor (april 1968), kan ik nog het volgende in ons clubblad lezen:

    “Als de schaakclub Utrecht een vlag zou hebben, hing die nu halfstok. Wij zijn geen hoofdklasseclub meer. Het droef relaas van de gemiste kansen van de hand van Etmans (boven in beeld) treft men elders in dit nummer aan. Het had niet gehoefd, maar is toch gebeurd. Natuurlijk kan filosofisch worden aangevoerd, dat een hoofdklasse van acht clubs, waarvan er elk jaar twee door de kampioenen van de beide eerste klassen worden vervangen, ook een soort slachthuis is waar het mes nu een de een dan weer de ander treft. Maar de beste teams blijven toch; en kwaliteit wordt niet alleen uitgedrukt door schaakkunst, maar ook door grimmigheid. Enfin, Etmans vertelt het wel; en voor ons blijft de wat pijnlijke moraal dat je gemakkelijker uit de hoofdklasse vliegt dan er weer inzit.”

    En toen Utrecht twee jaar later weer promoveerde, werd wederom gevreesd voor het jojo-effect. Behoedzaamheid was troef. Laten we hopen dat we ons kunnen handhaven in de hoofdklasse! Op meer viel niet te hopen. De lijst der tegenstanders werd langsgelopen, op zoek naar clubs aan wie men de rode lantaarn (inclusief degradatie) zou kunnen overdragen. Tegen die clubs werd een cruciale strijd verwacht; tegen hen moest gewonnen worden om niet te degraderen! In dat opzicht was het ook echt een wonder boven wonder, dat wonderjaar 1971. Want zelden presteert men meer dan het doel waar men zich op richt.

    “Het ging te goed met het eerste”, wordt er dan geschreven als Utrecht na drie overwinningen tegen Watergraafsmeer verliest. Toch groeit geleidelijk aan het zelfvertrouwen. Arend van Oosten wint omdat zijn tegenstander het Koningsgambiet niet kent, Hans Duistermaat plaatst een mooi dameoffer, Maarten Etmans wint fraai en Perrenet wint voor de vierde keer op rij hoewel hij bij zijn supporters nog wel even de rillingen over het lichaam laat gaan.

    diaperrenethaastertLinks ziet u die vierde overwinning. Perrenet wint door met zijn koning dwars over het bord naar de andere kant te lopen. 1.h3 Td1 2.Txd1 Dxd1 3.Kg2 De2 4.Kg3 De1 5.Kg4 h5 6.Kg5 Dg1 7.Kf6 Kd8 8.Da5 Db6 9.Dxb6 Pxb6 10.Kf7 Pd7 en opgegeven zonder Le7 mat af te wachten. Overigens was 5… h5 de beslissende fout. 5… Dd1 was nog heel complex geweest. 1.Dc5 (dreigend Dc6) had duidelijker de winst afgedwongen.

    Hans Duistermaat won tegen Olof. Niet de Olof die het halve jubileumboek van 1986 voor Schaakclub Utrecht geschreven heeft, maar zijn vader, die voor Moerwijk speelde.

    J.J. Duistermaat – Olof
    Utrecht – Moerwijk (1970-1971)

    1.Pf3 Pf6 2.c4 e6 3.g3 d5 4.Lg2 c6 5.O-O Niet het meest gespeeld. b3 wordt regelmatig op het bord gezet en tegenwoordig is Dc2 heel populair.
    5…dxc4 Maar waarom b3 en Dc2 in plaats van 0-0 gespeeld worden is mij niet helemaal duidelijk. Van de ruim 500 geregistreerde partijen op internet slaat slechts 10 procent op c4. Vaak leidt dat na b3 of d4 tot vergelijkbare varianten.
    6.Pe5 Een provocerende zet.
    6…Dd4 7.Pf3 Db6 De provocatie bestaat er uit dat zwart uitgedaagd wordt eventueel remise door zetherhaling te accepteren. In veel gevallen zie ik op internet dat zwart inderdaad … Dd8 doet, waarop wit gewoon a4 speelt. Het was dus maar een plagerijtje. De vraag is echter of zwart beter heeft. Na Dd5 volgt Pc3 met tempowinst en dus zijn er twee alternatieven: Db6, Dc5 en Dd6. Zwart heeft een gratis extra zet maar na Dc5 of Db6 kan b3 en La3 volgen en ook op b6 staat de dame niet ideaal.
    8.Dc2 Da6 Zwart gaat het nu proberen met zichzelf ingraven, maar dat ziet er bijzonder ongezond uit.
    9.Pe5 b5 10.a4 Ld6
    diaduisolof111.axb5
    Op deze en ook de vorige zet kon wit ook d4 doen. Maar wit kiest ervoor recht op het doel af te gaan. Voorlopig een vol torenoffer! Ik lees hier in de aantekeningen van Hans Duistermaat: “Min of meer gedwongen, anders consolideert zwart zijn stelling met … Db6 en … Lb7” De compensatie is ofwel de dame buitenspel zetten en elders proberen te willen, ofwel, wat straks gebeuren zal, de dame winnen. Dan krijgen we een middenspel van twee torens tegen dame.
    11…Dxa1 12.Pxc4 Lc7 Geen goede zet. De zwarte loper staat beter op de a3-f8 diagonaal, waar hij de extra mogelijkheid Lxa3 of Lxc3 heeft. De bedoeling van Lc7 was bxc6 en c7 definitief uitsluiten, maar na bxc6 kan zwart Pd5 spelen.
    – 12…Le7 13.d3 O-O 14.Lf4 cxb5 15.Pca3 e5 (Geeft de zwarte dame een ontsnappingsveld op e6.) 16.Lxe5 (Omdat Pc3 Dxf1 Kxf1 exf4 Lxa8 Lh3 zwart een toren plus twee stukken oplevert voor de dame. Te veel materiaal, dus.) 16…Da2 17.Lxa8 Lh3 18.Tc1 Pbd7 19.Lxf6 Lxf6 20.Lc6 a6 21.Pc3 De6 Wit staat een pion voor, maar zwart heeft het loperpaar en actieve stukken. Ongeveer gelijke kansen, zou ik zeggen.]
    – 12…Lb4 13.d3 O-O 14.Pc3 cxb5 15.Pa3 Lxc3 16.bxc3 b4 17.cxb4 Pa6 18.Lxa8 Pxb4 19.Dc5 Ook hier verrassend een materieel gelijke stelling, maar hier zijn de witte stukken veel actiever en heeft wit dus duidelijk voordeel.
    – 12…Le7 13.d3 O-O 14.Pc3 cxb5 15.Pa3 Pd5 16.Ld2 Dxf1+ 17.Kxf1 Lb7 18.Pxd5 Lxd5 19.Lxd5 exd5 20.Dc7 Opnieuw actievere stukken en voordeel voor wit. In veel varianten blijkt de materiële achterstand voor zwart wel mee te vallen, maar is het de ontwikkelingsvoorsprong en grotere activiteit van wit die beslist. Zo ook in de partij.
    diaduisolof213.Pca3 Pc3 was nóg beter en had zwart helemaal klem gezet.
    – 13.Pc3 a6 14.b6 Eén van de voordelen om het paard op c4 te houden.
    – 13.Pc3 Pd5 14.d3 a6 Nu een slimme zet, omdat op Ld2 axb5 volgt. 15.bxc6 De dame blijft opgesloten op a1, maar het paard staat nu veel sterker op c4, nog even afgezien van het feit dat het wit ook een tempo bespaart.
    13…O-O 14.Pc3 Pd5 15.d3 Lb7 Zwart kon ook slaan op c3. 15…Pxc3 16.bxc3 Lb7 Nu volgt op … e5, met als idee Lb2 Da2 Ta1 De6) Pc4 en gaat de dame alsnog verloren. 17.Lb2 Da2 18.Ta1 Dxa1+ 19.Lxa1 En ook deze stelling is veelbelovend voor wit.
    16.Lg5 Dxf1+ 17.Kxf1
    diaduisolof3Wit heeft dame en pion, zwart twee torens. Wie echter het schroothoopje op de zwarte damevleugel, realiseert zich ongetwijfeld dat wit duidelijk beter staat. Het valt lastig voor zwart om zijn stukken goed te laten samenwerken, terwijl wit bijvoorbeeld makkelijk kan switchen naar de koningsvleugel. En dat gaat straks ook gebeuren.
    17…Tc8 Wit dreigde Pxd5 exd5 Lxd5.
    18.Da4 Le5 18…a6 19.bxc6 Lxc6 20.Dg4 Pd7 21.Pxd5 exd5 22.Lxd5 Lxd5 23.Dxd7 Le6 24.Da4 Deze variant ziet er beter uit dan de partij. Ten koste van een pion werken de zwarte stukken tenminste weer een beetje samen. Maar of twee torens voor een dame en twee pionnen voldoende is?
    19.d4 Lf6 20.Lxf6 gxf6 Een onnodige verzwakking van de koningsvleugel waar wit later gebruik van zal maken. Pxf6 was beter: 20…Pxf6 21.Da5 En zwart staat opnieuw klem. Wit dreigt onder andere Pc4-d6.
    21.e4 Pxc3 22.bxc3 cxb5 23.Pxb5 Lonkend naar d6.
    23…Lc6 24.e5 fxe5 Opent de vierde rij voor de dame, maar het maakt voor de einduitslag niets meer uit. Zwarts damevleugel is nog steeds onontwikkeld, terwijl het witte initiatief gestaag uitgebouwd wordt.
    25.dxe5 a6 26.Dg4+ Kf8 27.Pd6 Tc7 28.Dh4 Lxg2+ 29.Kxg2 Pc6 Eindelijk zit er schot in de ontwikkeling van zwarts stukken, maar het is al te laat.
    30.Dh6+ Kg8 31.Pe4

    1-0

    simultaan1977duistermaat

    Hans Duistermaat (foto uit simultaan tegen Karpov in 1977)

    En toch blijft de twijfel bestaan! Wederom een citaat uit het clubblad, waarbij vooruitgeblikt wordt op de laatste wedstrijd tegen koploper Rotterdam, een heuse finale in de slotronde waarbij gewonnen moest worden van een sterrenteam met onder andere Timman, Jongsma en Böhm:

    Vooral dán zal een grote supportersschare nodig zijn om de spelers tot ongekende hoogten te stuwen. Die steun is des te noodzakelijker, omdat de strijd in Leiden niet direct zo’n spelniveau heeft te zien gegeven dat het landskampioenschap zonder meer in handen van Utrecht zal kunnen vallen. Maar liefst vijf partijen werden door blunders of iets wat daar sterk op leek beslist. Na 8 zetten gaf Perrenet een stuk weg, probeerde het nog even, maar ging roemloos ten onder; gelukkig kreeg Verholts tegenstander hetzelfde idee, buit na ook 8 zetten: een stuk. In een later stadium liet Etmans zich belangrijk hout ontfutselen, maar daar stond tegenover dat Van Kleef weer een stuk mocht incasseren. De serie werd afgesloten door Van de Pol, van wie een toren onverhoopt van het bord verdween.”

    En o ja, de andere vijf partijen hebben we, als ware het een voetnoot, bijna allemaal op briljante wijze gewonnen. Eindstand Utrecht – LSG: 6,5 – 3,5. Opvallend. Absoluut opvallend. De schrijver had ook uitbreid kunnen verhalen over de triomftocht der genialiteit, om vervolgens terug te vallen op: en o ja, er waren ook een paar minder mooie momenten. Maar nog opvallender is dat de verslaglegger de blunders van de tegenstander optelt bij het eigen onvermogen. Feitelijk werd de strijd ontsierd door drie ‘blunders’ onzerzijds. Niet door vijf. En al waren we niet zo stom geweest, hadden we dus zo ongeveer met 9 – 1 gewonnen. Dat klinkt inderdaad een stuk beter.

    Maar is dat niet de kracht van het wonder? Je gelooft er voor geen meter in en het gebeurt toch! Tot het einde toe bleef het maar moeilijk te bevatten. Misschien kwam het omdat in die allerlaatste ronde tegen dat sterke Rotterdam aangetreden moest worden. Rotterdam, dat één matchpunt en vele bordpunten meer had.

    Of misschien kwam het omdat er toen nog afgebroken partijen waren. Het fenomeen afgebroken partijen bestaat allang niet meer, maar was in die tijd een volstrekt normaal fenomeen. Het leidde er toe dat een match uitgespeeld kon worden zonder dat de uitslag bekend was. Utrecht – Rotterdam stond 5 – 3. Met twee afgebroken partijen. Weken en weken en weken duurde het voordat een eind kwam aan de tergende onzekerheid.

    En terwijl die kwellende onzekerheid bleef voortduren, kon Spanjaard zich de haren wel uit zijn hoofd trekken. Hij had immers een gewonnen stand uit zijn handen laten glippen. In zijn rubriek van het Utrechts Nieuwsblad schreef hij dan ook vooral over zichzelf:

    In een dergelijke situatie vallen twee aspecten haarscherp te constateren:
    1) de doorsnee Nederlandse hoofdklassespeler is nauwelijks meer dan een knoeier. Hij weet vrijwel niets, hij kan slechts weinig en zijn schaken staat mijlen ver van de verfijnde prestaties des schaakgrootmeesters, wiens lof wij hier plegen te zingen;
    2) nog veel belangwekkender is de psychologische kant van de zaak. Daar zitten ze dan, een tiental mannen die het in ’t gewone maatschappelijke leven redelijk goed doen en met een IQ meestal ver boven het landelijk gemiddelde. Een lector en een journalist, een accountant en een advocaat, een klassicus en een actuaris, een wetenschappelijk ambtenaar met twee academische titels en een drs in de wiskunde.
    Niet te geloven wat er gebeurt als zijn onder de invloed geraken van de imaginaire functies van wat stukjes hout! Deels geraken zij dan ver boven zich uit, maar soms ook zakken zij tot het peil van imbecielen. En het hek der dwaasheid is helemaal van de dam, als dan bovendien de landstitel lonkt. Slechts psychiaters kunnen hier nog iets zinnigs over zeggen. Blijkbaar wordt de stress te groot voor in doorsnee valide mensen. Zij geraken in een soort psychotische roes, in een bewustzijnsverenging, een shocktoestand.

    Eduard Spanjaard – Rob Witt
    Utrecht – Rotterdam, 3 april 1971

    diaspanwitt1Spanjaard: “Wit staat glad gewonnen. Er dreigt Txc8 en Pg5 met slaan op e6. Zwart probeerde nog:”
    37…Ld7 Maar wat was er na 37… Td8 gebeurd?
    – 37…Td8 38.Txc8 Wit moet wel. Anders gaat de d-pion verloren en staat wit twee pionnen achter. De mooie stand van de witte stukken ten spijt. 38…Txc8 39.Pg5+ Kf6 40.Pxe6 Tc1+ 41.Kg2 Td1 42.d7 Txd5 43.d8=D+ Txd8 44.Pxd8 b4 45.Pxb7 b3 46.Pc5 b2 47.Pe4+ Ke5 48.Pd2 Kd4 49.Kf1 Kd3 50.Ke1 Dit leidt tot remise.
    – 37…Td8 38.Txc8 Txc8 39.Pg5+ Kf6 40.Pxe6 Tc1+ 41.Kg2 Td1 42.Pc7 b4 43.f4 Td3 44.Pe8+ Kf5 45.Pxg7+ Kf6 46.Ph5+ Kf5 47.g4+ En op de volgende zet kan wit d7 spelen. Het behouden van de zwarte toren is niet mogelijk. In alle varianten wint wit, hoewel er een behoorlijke dosis taktiek bij om de hoek komt kijken. Zwart kan dus beter gelijk op d5 offeren:
    – 37…Td8 38.Txc8 Txc8 39.Pg5+ Kf6 40.Pxe6 Tc1+ 41.Kg2 Td1 42.Pc7 Txd5 43.Pxd5+ Ke6 44.Pc7+ Kxd6 45.Pxb5+ Kc5 46.Pc7 b5 47.Kf3 b4 48.Ke3 b3 49.Kd3 b2 50.Kc2 Kd4 51.Pe6+ Ke4 52.Pxg7 Kf3 Er zijn meerdere subvarianten, maar de strategie is tamelijk effectief: de witte koning naar de damevleugel lokken en vervolgens de witte koningsvleugelpionnen opeten. Er zijn overigens meerdere wegen die naar remise leiden, maar of dit eindspel echt remise is durf ik nu ook weer niet te zeggen. Ik heb in elk geval geen winst gevonden. Met andere woorden: Spanjaard had dus geen “glad gewonnen eindspel” in handen.
    – 37…Td8 38.Txc8 Txc8 39.Pg5+ Ke8 40.d7+ We gaan er maar even van uit dat wit het lukt om dit trucje in hoge tijdnood op de veertigste zet te vinden. 40…Kxd7 41.Lxe6+ Kc7 42.Lxc8 Kxc8 43.Pxh7 b4 44.Pg5 b3 45.Pf3 b2 46.Pd2 Kd7 47.Kf1 Ke6 48.Ke2 Kf5 49.f3 Anders loopt de zwarte koning via g4-h3-g2 de witte stelling binnen. 49…Ke5 50.Kd3 Kd5 51.Kc3 Kc5 52.Kxb2 Kd4 53.Kc2 Ke3 Ook dit eindspel kan zwart remise houden. Er zijn dus twee wegen naar remise, zo lijkt het wel.
    38.Pg5+ Kf6 39.Pxh7+ Ke5
    diaspanwitt240.Pxf8
    Spanjaard: “Iedere onderbondsderdeklasser ziet dat nu 40.Lxe6 een vol stuk en de partij wint, en ik zag ’t niet.”
    – 40.Lxe6 Td8 41.Lxd7 Txd7 42.Te1+ Kxd6 43.Td1+ Ke6 44.Txd7 Kxd7 Hadden we dit eindspel niet net al op het bord gehad? Dit is remise.
    – 40.Lxe6 Td8 41.Lxd7 Txd7 42.Td1 Txd6 43.f4+ Ke6 44.Pg5+ Ke7 Wit moet dus nog wel een paar nauwkeurige zetten doen en dit eindspel is inderdaad gewonnen. De witte strategie is heel simpel. Met de witte koning naar de zwarte b-pion en het paard voor pion g7 offeren.
    – 40.Lxe6 Td8 41.Lxd7 Txd7 42.Tc5+ Kxd6 43.Txb5 Kc6 44.Tb1 b5 Maar dit eindspel ziet er toch weer heel erg remise-achtig uit. Ik heb vele varianten uitgeprobeerd en ik durf niet te zeggen of dit gewonnen is voor wit of niet. Het probleem van wit is dat het heel wat zetten kost voordat zijn paard en/of koning bij de b-pion zijn. Ze staan aldus relatief buitenspel. Ondertussen heeft zwart al vorderingen gemaakt en verkrijgt hij actief stukkenspel. Wits beste kans is aldus op de koningsvleugel naar voren gaan, eventueel het paard voor pion g7 offeren, de toren voor de b-pion opofferen en met twee verbonden vrijpionnen tegen toren winnen. Maar niet alle eindspelen van twee verbonden vrijpionnen tegen toren zijn gewonnen. Bovendien kan zwart het wit lastig maken met het paard de pion te slaan. Afijn, het is een heel lastig tempospel.
    40…Pxf8 41.Lxb7 Retorisch de volgende vraag gesteld: is zet x een blunder als het alternatief y ook tot de winst leidt? Volgens Spanjaard is ook dit eindspel gewonnen. Maar is het dan terecht om jezelf zo te kwellen? Hij zag in tijdnood een weg naar winst en greep deze. Hij had geen tijd om te kijken naar een variant die nog duidelijker won. Maar al had hij het wel gezien: won die andere variant ook duidelijker?
    41…Kxd6 Spanjaard: “En hoewel dit natuurlijk nog gewonnen is voor wit, slaagt zwart er in met zijn b-pion remise af te dwingen.”
    42.f4 b4 43.Kf2 Le6 44.Le4 Pd7 45.Tc6+ Ke7 46.Ke3 b3 47.Kd4
    diaspanwitt3En ik moet het toegeven: dit is inderdaad een glad gewonnen eindspel. De witte stukken zijn mooi gecentraliseerd en actief en in bijna alle varianten gaat de b-pion verloren. Vervolgens wordt wit teruggedrongen en na loperruil valt de witte koning beslissend binnen.Dat deze stelling remise werd, is niet te wijten aan zijn ‘fout’ hiervoor.

    Belangrijk is wel dat wit na 42… Pe6 (ipv Le6) 43.Td1 speelt, zwart dwingend tot Ke7. Zolang de zwarte koning de b-pion maar niet kan ondersteunen, is de winst eenvoudig binnen handbereik. Resumerend: ook al trok Spanjaard zich de haren uit het hoofd bij het ontdekken van zijn ‘misser’, de variant waarvoor hij zelf koos was net zo goed. Het was dus precies zoals hij zelf had gezegd: “Zij geraken in een soort psychotische roes, in een bewustzijnsverenging, een shocktoestand.”

    1/2-1/2

    simultaan1977spanjaard
    Eduard Spanjaard, foto uit simultaan tegen Karpov (1977)

    Ondanks de remise dus toch een 5-3 voorsprong. Terug naar Arend van Oosten. Ik vroeg hem noch ernaar. Kon hij zich daar nog iets van herinneren? Welnu, vooral het bizarre einde van de competitie stond hem bij. Utrecht moest de laatste competitiewedstrijd winnen tegen Rotterdam en met een 5-3 voorsprong en twee niet onredelijke stellingen moet dat toch zeker haalbaar zijn. Of niet? Er werd begonnen met Arend van Oosten – Lex Jongsma. Arend stond in die stelling namelijk zeer goed. Als die partij geruisloos in remise eindigt, kan Gerard Verholt zijn partij zelfs opgeven.

    Arend vertelde me dat hij de partij toentertijd uitvoerig geanalyseerd had en er vooral moeite mee had te kiezen tussen enerzijds mogelijkheden die op winst speelden maar zwart ook kansen gaven en anderzijds mogelijkheden die veiliger waren. En toen meende hij in de partij ook nog dat zijn tegenstander direct na de spelhervatting niet de beste zet gedaan had.

    Een paar dagen later stuurde hij op mijn verzoek nog de partij toe. Zijn mail:

    Beste Robert,
    Nadat ik gisteren thuiskwam ben ik die oude partij gaan zoeken en toen bleek dat ik die al vanaf het begin kwijt was. Bij de hervatting ben ik op een nieuw blaadje gaan noteren. Ik heb dus alleen de afgebroken stelling en het vervolg. Ik heb nog tot diep in de avond zitten analyseren. Je begrijpt dat je met je vraag oude wonden weer hebt opengereten. Intussen kijk ik heel anders tegen de stelling aan. Het is onbegrijpelijk dat ik destijds aanvankelijk zo optimistisch was en zelfs aan winnen dacht. Ik mag dan destijds meer punten hebben gehaald dan tegenwoordig, van het spel begreep ik minder (iets wat je alle oude zakken hoort zeggen). Ik vermoed nu dat de stelling, bij nauwkeurig spel, te houden is.

    Arend van Oosten – Lex Jongsma
    Nederlands kampioenschap voor clubteams, Utrecht – Rotterdam, laatste ronde 1971.

    diaoostjong11.Tc7 De afgegeven zet. Voor een mens logisch: afsnijden die koning. De computer wil echter zo snel mogelijk pion a6 afhalen: 1.Tc8+ Kg7 2.Tc7+ Kg6 3.Pxa6 Tc2 4.Txc2 bxc2 5.Kd2 g4 6.Pb4 g3 7.Pd3 h5 8.b4 a4 is minder goed ivm promoveren van een zwarte pion op h1. 8…h4 9.Kxc2 g2 10.Pf4+ Kg5 11.Pxg2 h3 En zwart wint.
    1…Tc2 Arend had … h5 verwacht.
    – 1…h5 2.Pxa6 Tc2 3.Tb7 Txb2 4.Pc5 h4 5.Txb3 Tc2 6.Pe6 h3 7.Tb8+ Kf7 8.Pxg5+ Kf6 9.Pxh3 Tc3+ Remise.
    – 1…h5 2.Kd3 Tc2 3.Kd4 Txb2 4.Ke5 Dit was Arend van plan. Gelet op de beoogde remise helemaal niet zo’n slecht idee. Wit dreigt namelijk nu al Tc8-c7-c8-c7 een eeuwig schaak. Als de zwarte koning naar e8 of f8 gaat volgt Kf6 en dreigt mat (Kd8 Pe6 Ke8 Te7 mat). 4…h4 Het enige om eeuwig schaak tegen te gaan. 5.Kf6 Tc2 6.Kg6 Kf8 7.Pe6+ Ke8 8.Tb7 Te2 9.Kf6 Txe6+ 10.Kxe6 En wit wint. In deze variant zien we de genoemde mix waar Arend het over had: dreigen met remise afwisselen met winstmogelijkheden. Regelmatig komt de vraag bovendrijven: kan ik niet gewoon winnen?
    – 1…h5 2.Kd3 Tc2 3.Kd4 Te2 Net zoals in de partij mogelijk, maar daar staat de pion nog op h7. Een pion op h5 moet gunstiger zijn dan een pion op h7, maar gelet op de remise varianten hierboven is de partij toch begrijpelijk: zwart MOET namelijk op winst spelen.
    – 1…a5 2.Pa6 Tc2 3.Tc5 Txb2 4.Txf5 Ta2 5.Txg5+ Kf7 6.Txa5 b2 7.Tb5 Txa3+ 8.Kf2 Txa6 9.Txb2 a5 is geen slecht idee, maar is opnieuw een variant die voor zwart tot remise leidt. Niet interessant dus.
    diaoostjong22.Kd4 Ook Pe6 was goed voor remise:
    – 2.Pe6 Txb2 3.Tc8+ Kf7 4.Pxg5+ Kf6 5.Kf4 Tf2+ 6.Pf3 b2 7.Tc6+ Ke7 8.Tb6 Kd7 9.Ke3 Tc2 10.Kd3 Tg2 11.Pd2 Tg3+ 12.Kd4 Txa3 13.Txb2 En dit moet wit remise kunnen houden, vanwege de versnipperde pionnen. Zwart kan niet met zijn toren alle pionnen dekken. En met een paard op het bord kan wit eventueel zijn toren voor de laatste pion offeren.
    – 2.Pe6 g4 Om Pxg5 tegen te gaan. 3.Kf4 Txb2 4.Tg7+ Kh8 5.Tb7 Kg8 6.Kg5 Tc2 7.Kf6 Tc8 8.Txb3 En hier gaat wit winnen. Mat zetten is meestal niet eenvoudig. Maar door de dreigingen gaan wel alle koningsvleugelpionnen verloren.
    – 2.Pe6 h6 Zelfde idee: Pxg5 tegen gaan, wat overduidelijk de kracht van de drie verbonden vrijpionnen teniet doet. 3.Tg7+ Kh8 4.Tg6 Th2 Anders gelijk Txh6 en Pxg5. 5.Pd4 f4+ 6.Ke4 a5 7.Ta6 Kg7 8.Txa5 Txb2 9.Tb5 Kf6 10.Tb6+ Kf7 En opnieuw een lastig moment voor zwart. Txb3 Txb3 Pxb3 leidt alleen tot remise, als de zwarte koning in het kwadrant staat. Ke7 is dus de beste zet, maar dan gaan de koningsvleugelpionnen verloren en heeft wit remise. Kg7 verliest snel na Kf5. 11.Kf5 Td2 12.Tb7+ Ke8 13.Ke5 b2 14.Pe6 Td7 De enige zet tegen de dreiging Kf6. 15.Txb2 Kf7 16.Pd4 En ineens heeft wit winstkansen, hoewel het nog helemaal niet eenvoudig is.
    2…Te2 Houdt de koning tegen maar kan dus niet pion b2 slaan.
    3.Tb7 g4 4.Txb3 h5 5.Te3 Geeft terecht de b-pion weer op. De zwarte pionnen moeten tegengehouden worden.
    5…Txb2 6.Pd3 Tb7 6…Tb3 7.Pf4 Txe3 8.Kxe3 h4 9.Pg6 h3 10.Pe7+ Kf7 11.Pxf5 Ke6 12.Ke4 En remise.
    7.Ke5 Tf7 8.Kf4 h4
    diaoostjong39.Pe5
    Pf2 is een stuk eenvoudiger: 9.Pf2 Dreigt net zoals Pe5 Pxg4 met remise. 9…Tg7 10.Te6 g3 11.Ph3 g2 12.Txa6 g1=D 13.Pxg1 Txg1 14.Kxf5 Met remise.
    9…Tg7 Om Pxg4 met remise tegen te gaan.
    10.Kxf5 g3 11.Pg4 De verliezende zet. Pf3 had de partij nog gehouden, zij het op studie-achtige wijze: 11.Pf3 h3 12.Te8+ Kh7 13.Te3 Waar slaat dit op, zult u misschien zeggen. Maar de pionnen kunnen niet naar voren toe. h2 Pxh2 en g2 Pg1 verliezen de pionnen. Als de koning naar f7 gaat volgt Th8 en remise. Er is geen winst voor zwart te ontdekken.
    11…g2 12.Te1 12.Te8+ Kf7 13.Te1 h3 14.Pe5+ Ke7 15.Pf3+ Kd6 Gaat ook verloren voor wit. Hij staat helemaal vast op de koningsvleugel.
    12…h3 13.Ph2 g1=D

    0-1

    Evengoed kan ik Arend geruststellen. Objectief gezien is de stelling inderdaad remise, maar ik heb een heleboel winsten voor wit ontdekt. Het probleem was evenwel dat Arend in dit gecompliceerde eindspel tegen de 60ste zet weer in tijdnood kwam en toen de beslissende fout maakte. Kan iedereen overkomen.

    oosten05
    Arend van Oosten.

    En zo ging de partij van Arend van Oosten verloren. De stand was nu 5 – 4. Lodewijk Prins, eerste bord speler van Utrecht, analyseert in de krant het drama Van Oosten, en verzucht: “Het kampioenschap is dit jaar kennelijk toch weggelegd voor Rotterdam.”

    Want ongelooflijk maar waar, de zekere remise van Arend was alsnog verloren gegaan. Maar geen man overboord. We hadden altijd nog onze tweede troef achter de hand. Gerard Verholt had in die partij zwart tegen Hans Böhm.

    diabohmverh1Nu ja, de stelling links is toch echt remise. Of niet? In tegenstelling tot de stelling van Arend had Gerard een stelling die de eenvoud zelve was. Was Gerard echter op de hoogte van de Eerste Wet van Böhm? Had hij wel zijn eindspelletjes bestudeerd?!? De partij ging verder met: 1… Kd7-c6. De afgegeven zet. 52.Te3-f3 Tg5-a5 53.Tf3-f6 Ta5-a4 54.Kc4-c3 Ta4-a2 55.Tf6xg6 Ta2xh2 56.Kc3-c4 h5-h4. Waarom niet het meer dan door de hand liggende … Tc2? 57.d4-d5 Kc6-c7 58.g3xh4 Th2xh4 59.Kc4-b5 Th4-h7 60.Tg6-g4 Th7-f7 61.Tg4-c4 Kc7-b7 62.Tc4-c6 Tf7-d7 63.Tc6-b6 Kb7-c7 64.Kb5-a6 Kc7-c8 65.Tb6-c6 Kc8-d8 66.Ka6-b6 Td7-h7. Pionneneindspelen zijn inmiddels verloren voor zwart. 67.Tc6xd6 Kd8-c8 68.Td6-f6 Th7-h1 69.Kb6-c5 Kc8-d7 70.Tf6-f7 Kd7-e8 71.Tf7-a7 Th1-c1 72.Kc5-d6 Tc1-d1 73.Ta7-e7 Ke8-d8 74.Te7-h7 Kd8-c8 75.Th7-h8 Kc8-b7 76.Th8-e8 Td1-d2 77.Te8-d8 Td2-d1. Beter naar h2. 78.Kd6-e7 Td1-h1 79.Td8-f8 Th1-e1 80.Ke7-d7 Te1-h1.diabohmverh2Voltrok hier soms de Achtste Wereldramp? De Utrechters hadden zich verzameld in het huis van Verholt en zagen met lede ogen aan hoe Verholt langzaamaan weggespeeld werd. De stelling werd maar slechter en slechter en op het moment dat voor de tweede keer moest worden afgebroken (zie de diagram links) waren we de wanhoop nabij. Een aantal wilden de stelling gelijk maar opgeven, maar Eduard Spanjaard – de man die zo verschrikkelijk veel voor onze club betekend heeft – riep uit: “Nee, nee! Nog niet doen! Eerst even rustig bekijken!” De Rotterdamse spelers keken daarentegen vol genoegen en zelfvertrouwen naar de afgebroken stand. Als Böhm een potremise stand tot groot voordeel weet te ontwikkelen, zal hij deze stelling ook wel binnen kunnen halen. En dat zou betekenen dat Rotterdam toch nog kampioen zou worden!

    Ondertussen verscheen in een van de Utrechtse kranten het bericht dat de partij verloren was gegaan en dat Rotterdam kampioen van Nederland was geworden!

    Spanjaard kon er helaas niet meer bij blijven; hij was niet veel later op vakantie gegaan. Terneergeslagen sloegen de Utrechters aan het analyseren. Een week later kwam er echter een telefoontje. Het was Eduard Spanjaard. Uit Italië. Daarheen was hij inmiddels op vakantie gegaan. Hij had een eindspelboek van Chéron meegenomen. En raad eens wat er in stond? Precies hetzelfde eindspel als in de afgebroken stelling! Maar dan in spiegelbeeld! Remise, zo deelt Chéron ons mede. De techniek om remise te houden werd doorgebriefd, Verholt stampte de gegevens goed in zijn hoofd, werd meerdere malen stevig overhoord en beloofde zich in de tweede wedstrijdvoortzetting niet meer van de wijs te laten brengen.

    verholtHet laatste clubblad van het seizoen verscheen. Nog steeds durfde het clubblad niets van vreugde te laten merken. En dan was er ook nog een kans dat de stelling gearbitreerd zou worden! En wat zou de arbitrage dan zeggen?Met sidderen en beven werd de tweede hervatting van Böhm – Verholt afgewacht en gelukkig liet Verholt zich niet voor de tweede keer voor de gek houden. Netjes hield hij, a tempo spelend, de partij op remise.

    Schaakclub Utrecht kampioen van Nederland!

    Het wonder van 1971!

    Links de man die geschiedenis schreef: Gerard Verholt.

Comments are closed.