• Nederlands kampioen in 1946!

    Posted on maart 13, 2016 by in 1918 - 1960

    Hieronder drie artikelen over het Nederlands kampioenschap van het eerste team in de hoofdklasse / meesterklasse.

    Ons kampioenschap van Nederland in 1946

    Erik Olof

    Toen de top van het Nederlandse competitieschaak nog niet werd beheerst door ‘huurlingen’ en een clubkampioenschap dus nog echt een clubkampioenschap was, heeft de Schaakclub Utrecht menigmaal haar partijtje om de landstitel mee geblazen. Twee maal is het gelukt de hoogste plaats te behalen, in 1946 en in 1971. Nauwelijks minder imposant is dat het eerste tiental bijna onafgebroken in de hoogste klasse heeft gespeeld van 1920/’21 tot en met 1957/’58. In dit hoofdstuk een verslag van het kampioenschap in 1946. Eén opmerking: het is goedkoop dit kampioenschap af te doen als het resultaat van een nog niet op gang gekomen competitie. Schakers spelen toch wel – en misschien juist dan – als het oorlog is, en de handicap was voor alle tientallen even groot.

    Over dit kampioenschap valt nog wel wat te citeren uit artikelen van die jaren. De eerste bladzijde van het clubblad na het behalen van de titel in 1946: “16 juni 1946 zal in de annalen onzer vereniging met gouden letters worden geboekstaafd. Op dien dag, onvergetelijk voor degenen, die hem mee beleefden, slaagde ons eerste tiental erin door een eclatante 7,5 – 2,5 overwinning op ‘Eindhoven’ het clubkampioenschap schaken van Nederland op zijn naam te brengen. Wat in de voorafgaande 59 jaren van het bestaan onzer vereniging niet mocht gelukken, werd in het diamanten jubileumjaar bereikt. Onbetwistbaar heeft ons eerste tiental zich de meerdere getoond van de andere kampioenspretendenten.” Woorden van geluk van de toenmalige voorzitter, Hofsommer. Een dergelijke gebeurtenis rechtvaardigt een poétische uitbarsting, van Li.D. (het lid Fr. Visser, een oude onderwijzer die ook musiceerde en componeerde):

    Utrecht kampioen van Nederland

    Utrecht heeft de slag gewonnen,
    Utrecht is thans kampioen,
    Utrecht met zijn zestig jaren
    weet zijn zetjes nog te doen.

    Utrecht won van Leiden, Haarlem
    en toen ook van Philipsstad.
    Nooit nog in zijn lange leven
    heeft het zo’n succes gehad.

    Boven d’oude schaakrivalen
    Rotterdam, het Haags DD,
    ’t grijze VAS niet te vergeten,
    Bussum en de ASC!

    Utrecht heeft de geest gekregen!
    Onverslaanbaar gaat het voort,
    zege stapelt het op zege,
    Utrecht pleegt schaakmassamoord.

    Leden van de schaakclub Utrecht,
    ‘k roep U toe: Geluk er mee!,
    Voorwaarts nu met gloednieuw clubvuur!
    ‘k Blijf uw medelid, Li. D.

    We hoeven nu tenminste niet te herhalen wie er al zo mee deden aan dat kampioenschap van 1946; Li. D. heeft ze keurig voor ons opgesomd.

    Uit de beslissende wedstrijd tegen Eindhoven is de volgende partij van Eduard Spanjaard tegen Stumpers. Het is een partij zoals we bij Spanjaard meer gezien hebben: op het scherpst van de snede, altijd bereid de uitdaging aan te gaan en in staat te overrompelen als dat nodig is!

    Dr. L. Stumpers – Mr. Ed. Spanjaard
    Meesterklasse, Utrecht – Eindhoven, 1946
    (Commentaar van Robert Beekman)

    1.e4 Pf6 2.e5 Pd5 3.d4 d6 4.c4 Pb6 5.f4 dxe5 6.fxe5 Pc6 7.Le3 Lf5 8.Pc3 e6 9.Le2 Dd7 10.Pf3 O-O-O Op het scherpst van de snede: tegenovergestelde rochade.
    11.O-O f6 12.exf6 gxf6 13.d5
    diaspanjstum113…Tg8
    ! dxc6 wordt nu beantwoord door Dg7.
    14.Lxb6 cxb6 15.Da4 Dg7 16.Pe1 Pd4 Sterker dan …Lc5, want de witte koning staat op g1 veel ongunstiger.
    17.Dxa7 Het enige om kansen te houden.
    17…Ld6 Zeer sterk; h2 is het zwakke veld. Bovendien is de loper nu sterk voor de verdediging, omdat de manoeuvre Da8 en Pb5, na verdwijnen van Pd4, verhinderd is.
    18.Lf3 Het beste. Na Dxb6 volgt Dh6, bijv. Dxd4? Lxh2 Kf2 Lg3 Kf3 Dh5 Ke3 Dg5 Tf4 e5 enz.
    18…Dh6 19.g3

    .

    .

    diaspanjstum219…Txg3+! Een prachtig torenoffer dat zwart compensatie geeft voor langere termijn. De enige kanttekening die men kan plaatsen is dat het loperoffer Lxg3 sneller wint.
    20.hxg3 Lxg3 21.Da8+ Na Tf2 komt De3 en nu gaat Pd1 niet wegens Dxe1.
    21…Kd7 22.Dxb7+ Ke8 23.Tf2 De3 24.Lh5+ Lg6 25.Lxg6+ hxg6 26.Pd3 Dxd3 27.Taf1 Sterker is Txf6, met gelijke kansen: De3 Kg2 Dd2 Kxg3 Dg5 Kh2 Dxf6.
    27…De3 28.Kg2? Beter dxe6.
    28…Ld6? Lxf2 en zwart staat beter.
    29.Kh1?? Dh7 en wit staat beter.
    29…Dh3+ 30.Kg1 Pf3+ en mat.

    0-1

    Als team gewonnen

    G.W. van Vloten

    Wanneer ik de jaren dat ik speelde voor de Schaakclub Utrecht, van 1945 tot 1958, weer voor de geest haal, denk ik allereerst aan die gedenkwaardige zestiende juni 1946, de dag waarop het eerste tiental kampioen van Nederland werd. Op die dag wonnen wij van Eindhoven met 7,5 – 2,5 en eindigden daardoor in de finalegroep definitief op de eerste plaats, met voorsprong op Eindhoven, het Leidse LSG en HSG uit Haarlem.

    kampioen1946

    Het kampioens-tiental van 1946. Zittend v.l.n.r. Hofsommer, Wessels en Spanjaard; staand v.l.n.r. Van Vloten, Reurslag, Visser, Den Hartoog, Van Santen en Van Steenis. Muilwijk ontbreekt.

    Nu, na veertig jaar, kun je je afvragen of het kampioenschap toen toeval was: hadden we geluk of speelden we werkelijk zo sterk? Inderdaad, het zat niet tegen; vooral tegen HSG kwamen we goed weg met een 5,5 – 4,5 overwinning. Over de spelkwaliteit wil ik graag het volgende opmerken. Bij het spelen van een competitiewedstrijd heeft een schaker te maken met drie elementen: 1. hij speelt als individu, 2. hij speelt in een tiental, dus in klein collectief verband, en 3. hij speelt in een club, dus in groot collectief verband. Zo wordt zijn spel bepaald door zijn schaakbekwaamheid, de invloed van zijn teamgenoten en de invloed van de club.

    Om nu met element drie te beginnen, stel ik hier vast dat van de leden van de Schaakclub Utrecht een grote stimulans uitging. Wij, als eerste tiental, werden als het ware door de leden op handen gedragen. Wij waren het bejubelde vlaggenschip van de schaakclub, en eigenlijk zou ik nu alle leden moeten noemen als ik terug denk aan ons kampioenschap van veertig jaar geleden. Uiteraard kan ik aan een dergelijk voornemen geen gevolg geven. Met veel genoegen wil ik echter voor de volgende leden een uitzondering maken om hun bijzondere warmte en medeleven: A.H. van Wijngaarden, G.H. Bruins, Jhr. A.E. van Foreest, G.L. de Brie, Dr. A. Schuckink Kool en … Pijper.

    80jarigen

    De Brie is niet op deze foto van 1953 zichtbaar, maar de andere spelers die van Vloten bedankt wel: van links naar rechts: G.H. Bruins (geboren 1873), Jhr. A.E. van Foreest (1863), W. Pijper (1873), Dr. A. Schuckink Kool (1873), A.H. van Wijngaarden (1873).

    Wat de teamgenoten betreft: we hebben elkaar duidelijk in gunstige zin beïnvloed. Schouder aan schouder streden wij altijd voor het beste resultaat met een inzet die we als individu zeker niet zouden hebben opgebracht. Welk een stimulerende werking ging er uit van Eduard Spanjaard wanneer hij in opperste concentratie voorover gebogen voor het bord zat, met de duimen in zijn oren. En dan de onverstoorbare Henk van Steenis, de agressieve Jan Visser, die bijna in het bord kroop om alles maar zo goed mogelijk te zien, de fraai combinerende Jaap Muilwijk en de geniale Gerard Wessels. A. den Hartoog als goed aanvaller, A.K.G. Reurslag, de onberekenbare, de ernstige J.J. van Santen en ikzelf, die in de verdediging wel eens een uitschieter had, wij sloten ons hierbij fraai aan. Een bijzondere vermelding verdient G.J.M. Hofsommer, voorzitter en teamleider, die met zijn gloedvolle toespraken krachtig naar buiten optrad en ons tevens inspireerde.

    Tenslotte het eerste element, de speler als individu, zijn schaakcapaciteit. Hoe groot was die van ieder van ons? Een voor de hand liggende, maar niet relevante vraag! Het gaat er immers om hoe sterk het tiental speelde, als onderdeel van de schaakclub. Zonder twijfel is ons succes eraan te danken geweest dat de kracht van het tiental beduidend groter was dan de som van de individuele sterkten.

    NK in 1946

    Robert Beekman

    Het seizoen 1944/1945 is een seizoen waarin alles platgelegd wordt. Het laatste oorlogsjaar (tevens de hongerwinter) zorgt voor veel drama en ellende in de Nederlandse huishoudens. Ook het schaken ligt plat. Geen kampioenschap van Schaakclub Utrecht, geen Nederlands kampioenschap, geen landelijke competitie.

    En dan is de oorlog ten einde. Ondergedoken schakers komen weer bovendrijven. En dat zijn er heel wat. Afgezien van de verschrikkelijke jodenvervolging is op een gegeven moment geen enkele man tussen de 18 en 65 meer veilig op straat. Iedere man kan opgepakt en afgevoerd worden.

    Nederland moet weer opgebouwd worden. En langzamerhand krijgt dat vorm en inhoud. De landelijke schaakcompetitie wordt weer opgestart, maar veel aandacht krijgt ze niet. Kranten zijn in de oorlog flinterdun geworden en het duurt even voor dat geleidelijk aan uitgebouwd wordt.

    De opmars van het eerste team van Schaakclub Utrecht verloopt relatief onopgemerkt. En een opmars is het zeker. Schaakclub Utrecht blijkt onoverwinnelijk te zijn geworden!

    Op 2 mei 1946 wordt van Haarlem gewonnen met 6-4. Geen makkelijke opgave. Haarlem is in die tijd sterk (Kroone, van Marwijk en Davidson) en strijdt mee om de titel. Vreemde bijkomstigheid: HFC uit Haarlem behaalt met de legendarische Kick Smit in datzelfde seizoen van 1945-1946 het landskampioenschap voetbal.

    In het verslag van die voorlaatste wedstrijd wordt alvast vooruitgeblikt naar de slotronde tegen Eindhoven. Een thuiswedstrijd. Als in die laatste wedstrijd gewonnen wordt, is het kampioenschap een feit.

    Zestig jaar bestaat de club op dat moment. Zolang het landskampioenschap van clubteams al georganiseerd wordt, maakt Utrecht deel uit van de hoogste klasse. Nooit is gewonnen. 59 keer heeft het eerste team achter het net gevist. De leden en overige supporters voelen al aankomen dat er iets bijzonders gaat gebeuren. Want het gaat er niet alleen maar om dat Utrecht bovenaan staat; het gaat ook om de manier waarop. Zoals het Utrechts lid al dichtend heeft geschreven over dat seizoen: “Utrecht heeft de geest gekregen! Onverslaanbaar gaat het voort, zege stapelt het op zege, Utrecht pleegt schaakmassamoord.” De Utrechtse schakers komen dan ook in groten getale opdraven.

    Op het eerste bord is het gelijk groot spektakel. Stumpers tegen Spanjaard:

    L. Stumpers – E. Spanjaard
    Hoofdklasse 1946

    diaspanjstum219…Txg3+ Offers hangen in de lucht en 19… Lxg3 is snel winnend. Na 20.hxg3 Txg3 gaat wit mat, bv
    – 19…Lxg3 20.hxg3 Txg3+ 21.Kf2 Dd2+ 22.Kxg3 Tg8+ 23.Kh4 Dh6+
    – 19…Lxg3 20.hxg3 Txg3+ 21.Pg2 De3+ 22.Kh2 Th3#
    – 19…Lxg3 20.hxg3 Txg3+ 21.Lg2 De3+ 22.Tf2 Txg2+ 23.Pxg2 Pf3+ 24.Kf1 Ld3+ 25.Pe2 Lxe2+ 26.Txe2 Dg1#
    20.hxg3 Lxg3 21.Da8+ Kd7 22.Dxb7+ Ke8 23.Tf2 De3 24.Lh5+ Lg6 25.Lxg6+ hxg6 26.Pd3 Dxd3 27.Taf1 De3 28.Kg2 Hoogst onduidelijke stelling. Het beste was waarschijnlijk Lxf2, maar Spanjaard doet
    28…Ld6 en behaalt daar snel succes mee:
    29.Kh1 29.Dh7 of 29.dxe6 is waarschijnlijk gewonnen voor wit.
    29…Dh3+ 30.Kg1 Pf3+ 31.Txf3 Dh2#

    0-1

    Deze overwinning is een enorme opsteker en inspiratie! Het wordt uiteindelijk 7,5 – 2,5 voor Utrecht. Spanjaard, Van Steenis, Muilwijk, Van Vloten, Wessels, den Hartoog winnen. Visser maakt remise en Reurslag en Hofsommer verliezen.

    Als het laatste punt binnen is, barst het feestgeroes pas echt los. Maar eerst de plichtplegingen!

    Voorzitter Hofsommer begint. 16 juni 1946 zal in de annalen onzer vereniging met gouden letters worden geboekstaafd. Op dien dag, onvergetelijk voor degenen, die hem mee beleefden, slaagde ons eerste tiental erin door een eclatante 7,5 – 2,5 overwinning op ‘Eindhoven’ het clubkampioenschap schaken van Nederland op zijn naam te brengen. Wat in de voorafgaande 59 jaren van het bestaan onzer vereniging niet mocht gelukken, werd in het diamanten jubileumjaar bereikt. Onbetwistbaar heeft ons eerste tiental zich de meerdere getoond van de andere kampioenspretendenten.

    Dan een speech van Utrechts ere-voorzitter Wijngaarden! Net als voorzitter Hofsommer feliciteert ook hij uitgebreid het eerste team. Alle overwinningen en roemruchte daden worden nog eens in het voetlicht gezet.

    Dan een speech van van de heer Kleyn namens de KNSB! Uitgebreide felicitaties en huldigingen. Er wordt nog eens stilgestaan bij de grote betekenis die Utrecht heeft gehad voor de landelijke bond en hij gunt het Utrecht van harte dat het eindelijk is gelukt om na zestig jaar landskampioen te worden.

    Dan de heer Robinowitsch van het Eindhovens Schaakgenootschap! Ook hem is opgevallen dat Utrecht dit jaar een ijzersterk seizoen doormaakt. Sterke topborden die belangrijke punten binnenhalen en ook een sterke clubgeest. Hoeveel mensen zijn er vandaag wel niet gekomen om hun club te steunen. Prachtig en hartverwarmend!

    Dan neemt Eduard Spanjaard het woord! Hij bedankt de voorzitter, de ere-voorzitter, het bestuur en ook de hele club. Zonder de trouwe clubleden zou het niet gelukt zijn om landskampioen te worden, meent hij. De van te voren al ingeslagen bloemen worden uitgereikt aan voorzitter Hofsommer, die bedankt wordt voor alle zorgen en goede inzet.

    Diezelfde avond nog biedt ere-voorzitter Van Wijngaarden alle schakers een prachtig galadiner aan bij hem thuis.

    Het had overigens niet veel gescheeld of Utrecht was in het jaar erna ook kampioen geworden.

     

Comments are closed.