• Meesterklasse (2000)

    Posted on februari 22, 2016 by in 1960 - 2016

    Zwakte of activiteit?

    Robert Beekman

    Een indirecte reportage van de meesterklasse d.d. 1999-2000 en het lot waarover eerder gesproken is: de eeuwige strijd tegen degradatie. Na het seizoen hiervoor manhaftig standgehouden te hebben, was het dit seizoen weer zover: degradatie uit de meesterklasse. En wederom niet voor al te lang: het jaar er op werd promotie op een haar na gemist, maar het seizoen erna was promotie weer een feit. Overigens is dit een thematisch artikel en was op het moment van dit schrijven nog niet duidelijk dat Utrecht zou degraderen.

    Enkele fragmenten uit de meesterklasse. Het is voor mij lastig om partijen te vinden waarover ik kan schrijven, maar gelukkig worden de partijen uit de meesterklasse op internet gezet! Geweldig, natuurlijk. Daar kan een profiteur als ikzelf alleen maar profijt van hebben. Snel gedownload, doorgenomen, en gescreend op het thema van dit artikel: de ‘zwakte-versus-activiteit-discussie’.

    Maar eerst terug naar onze prijsvraag van de vorige keer. U weet vast nog wel hoe die luidde!

    Die ging namelijk over de processierupsen die op de rand van de bloempot alleen maar achter elkaar aanslenterden, tot aan hun dood toe. De processierupsen liepen braaf met het achter elkaar aan en slaagden er maar niet in om hun vicieuze cirkel te doorbreken. Hoe kon dit dan wel doorbroken worden! Wie het antwoord op dit raadsel vond, begreep tegelijkertijd hoe voortaan fouten met schaken vermeden konden worden. En ja hoor, heel wat lezers hebben gereageerd. Een bloemlezing uit de antwoorden:

    1. Een reisfolder voor processierupsen schrijven.
    2. De bloempot in de vensterbank zetten, als kermisattractie.
    3. Een boek tegen de bloempot aanzetten (bij voorkeur van Nietzsche).
    4. Een overdosis mosterdgas op de bloempot spuiten.

    Maar de winnaar van de prijsvraag was Herman Winters. Zijn antwoord luidde: een schop tegen de bloempot geven. Goed zo, Herman!! Jij snapte tenminste wat de kern van de vraag was. De enige manier om de denkfouten te vermijden, is het analyseren van de manier hoe je eigen hoofd in elkaar steekt bij het maken van fouten/blunders en vervolgens actief ingrijpen in de manier waarop je denkt. (Het omverschoppen van de bloempot.) En wel door zelf een nieuw analyse-patroon op te stellen. Bravo!

    De schoolmeester spreekt

    Terug dan maar weer naar het thema van deze keer: de zwakte versus activiteit discussie. Allereerst uiteraard enige elementaire instructie. Gevorderden kunnen deze paragraaf gevoeglijk overslaan en op de volgende bladzijde verder lezen. Spaart tijd!

    Wat is een zwakte? In dit artikel gaat het bij zwakte om een zwakke pion. We praten dan over een geïsoleerde pion, een achtergebleven pion op een open lijn, een dubbelpion, enzovoorts. Een zwakte kent twee kenmerken. Ten eerste is de zwakte gefixeerd. En ten tweede is er ruimte.

    Fixatie! Stel, er is op het bord een eenzame zwarte pion op veld d5. Ongedekt door een broeder die zijn zwakke rug ondersteunt, zoals pion c6 of e6. Zijn contactadvertentie moet nog in het plaatselijke krantje gepubliceerd worden. De pion is zwak, heeft last van houtworm en zou een smakelijk hapje kunnen zijn voor hongerige witte stukken. Maar als die pion niet tegengehouden wordt, dan loopt deze gewoon door en promoveert op veld d1! Ongelooflijk! Wat een beest! Kortom: die pion moet tegengehouden, gefixeerd of vastgezet worden. Het mooiste is natuurlijk de blokkade door een stuk, die kun je tenminste nog weghalen. Een andere mogelijkheid is een pion op e3, of c3 of d4. Of op c3, e3 én d4. Weten we zéker dat ie niet vooruit kan.

    Een ander voorbeeld. Stel, wit heeft een pionnenstructuur h2, g3 en f2 (al dan niet met witte loper). De pion op h2 is dan zwak, maar al heeft zwart een open h-lijn, dan nog kan wit zo de pion naar h4 opspelen, bij wijze van spreken. Tenzij die pion geblokkeerd is door een stuk, of als er een zwarte pion op g5 of g4 staat. De pion moet gefixeerd worden, wat bij het winnen van eindspelen van groot belang is.

    Ruimte! Om een zwakte te veroveren is er echter ook ruimte nodig. Het meest duidelijke voorbeeld hiervan is de half-open lijn, waarbij aan het einde daarvan de zwakke pion van de tegenpartij zit te kreunen. De torens wrijven al in hun handen van plezier. Maar de open diagonaal is minstens evenzeer van belang, net zoals het interessant is om te bekijken vanuit welke velden de paarden bovenop de zwakte kunnen springen. (Hooooo! Rustig aan, paardje!)

    Immers, in het algemeen kunnen we er vanuit gaan dat de zwakte veel gemakkelijker en door meer stukken van de tegenstander gedekt kunnen worden, dan door jou aangevallen.

    Neem bijvoorbeeld de zwarte pionnenstructuur c5-d6-e5, waarbij de witte pionnen c4-e5-e4 deze vastgelegd hebben. De pion d6 is zwak en goed gefixeerd (zie die maar eens vooruit te krijgen!), maar hoe kan deze in hemelsnaam door de witte stukken bereikt worden? Dat wordt toch erg lastig, zeker in het middenspel. In een eindspel kan meer mogelijk zijn. Maar als we dan de pionnen op e4 en e5 weghalen, zou tenminste nog een loper op f4 de pion d6 in de ogen kunnen kijken. Een paard zou op e4 kunnen springen, maar deze wordt ongetwijfeld afgeruild door het zwarte paard op f6, of anders weggejaagd door de pion op f5. Dit laatste is weer gevaarlijk, want dan ontstaat een nieuwe zwakte, te weten het witte veld e6. Waarmee we het belangrijke thema voor de aanvaller van de zwakte al onderstreept hebben: namelijk dat het manoeuvreren tegen de zwakte nieuwe zwakten oplevert.

    Evengoed, stel: we hebben de Ben Oni structuur. Wit: e4 en d5. Zwart: c5 en d6. Dan is er nog meer ruimte. De witte loper op f4 kan dan ondersteund worden door een paard op c4 (Dat daar veiliger staat dan op e4) en in sommige, uitzonderlijke gevallen door een paard op b5.

    Maar het mooiste is toch simpelweg de witte pion op c4 (al dan niet met e4) versus de zwarte pion op d6 (al dan niet met de zwarte pion op c5 of c6 of e6). De loper lijn (van h2 naar d6 of van a3 naar d6) wordt dan ondersteund door de verticale toren lijn.

    In de voorbeelden hierboven (de zwakke pion op d6) is zichtbaar dat ruimte en fixatie vaak complementair zijn. Dat wil zeggen: hoe meer de zwakte gefixeerd is, hoe lastiger het is om er bij te komen of de zwakte aan te vallen. Kortom, hoe minder ruimte er is. Bij de meest bekende zwakte (de geïsoleerde pion op d4 versus de zwarte pion op e6), is er veel ruimte maar weinig fixatie, en moet zwart er constant rekening mee houden dat de pion naar d5 oprukt en een eventueel betere stelling voor wit afdwingt. Kan zwart de zwakte wel blokkeren, maar dan blokkeert het stuk ook de eigen torens, die wel alvast een menu voorgeschoteld krijgen, maar nog niet mogen toetasten. Zet een zwarte pion op c6 erbij, dan is de geïsoleerde pion op d4 echt gefixeerd, maar kan er evenmin een aanvallend paard op c6 komen. Met een pion op d5 kunnen er al geen torens vanuit d8 bij komen. Maar d4-d5 zal wit niet meer kunnen spelen! Voor de Volvo-schakers onder ons toch een grote geruststelling.

    De zwakte wreekt zich pas in het eindspel

    Is de zwakte nu zèlf een zwakte? Nee, feitelijk niet. Althans: in het middenspel niet. Vaak is de zwakte de velden er om heen, die makkelijker toegankelijk zijn. In het alom bekende voorbeeld van de Einzelgänger op d4, gaat het om het zwakke witte-velden complex c4-d5-e4 waar zwart van profiteert. En bovendien gaat ook bij de zwakte het aloude adagium van Nimzowitsch op: de dreiging is sterker dan de executie. Dat wit de hele tijd rekening moet houden met het in de gaten houden van d4 is doorgaans een blok aan het been, die een beperking vormt voor de eigen mogelijkheden en manoeuvreer-ruimte, en die vaak of minder vaak zwaarder is dan spelen met een pion minder.

    Maar in het eindspel zal de zwakte zich wel degelijk opbreken. Elk ruilen van stukken roept de vraag op: hoe staat het met zwakten? Zijn ze gefixeerd of kunnen ze gefixeerd worden? En hoe staat het met de ruimte? Een toren kan van eilandengroepjes beter profiteren dan een loper, bijvoorbeeld. Naarmate het eindspel dichterbij komt, wordt de dynamiek van het stukkenspel steeds minder belangrijk en zal de zwakte steeds zwaarder opbreken. Neem de volgende stelling van Lemmers tegen Vincent Diepeveen. Zie hoe Vincent met de snelheid van een TGV-trein stukken afruilt en afwikkelt naar een gewonnen eindspel.

    diabeeklemmdiepOscar Lemmers – Vincent Diepeveen. Vierde ronde meesterklasse 2000. ESGOO tegen Utrecht.

    Er volgde: Df3 Lc6; Dh3 Pxc3; bxc3 Le4; Te1 Lxd3; Dxd3 Pd7; Pxd7 Dxd7; c4 Lf6; Le3 e5; d5 e4. En zwart won de kwaliteit en na 71 zetten ook het eindspel. Tot zover de instructie-bijeenkomst ‘pletten à la Diepeveen’: eerst alles afruilen en dan het eindspel winnen (zoals hij zelf altijd zegt).

    Bij het ruilen op c3 zagen we overigens hoe de zwakte van d4 verschoof naar c3. En ook als de pion oprukt naar c4, hebben de hangende pionnen nog steeds niet hun inherente zwakte opgelost. En dat blijkt als de zwarte pion naar e5 gaat.

    Wit had overigens deze hele ruilorgie nooit mogen toelaten. Vanuit de diagramstelling lijkt Te1 me al heel wat beter dan Df3

    wemmers04

    Xander Wemmers.

    Toch is het thema van de geïsoleerde pion werkelijk een schitterend voorbeeld van de zwakte versus activiteit discussie. In ruil voor de zwakte moet wit het namelijk hebben van de activiteit van de witte stukken. Voor degenen die nog niet zo bekend zijn met dit type stelling: wit heeft de mogelijkheid om het paard op e5 te zetten (wie afruilt ziet de pion van d4 naar e5 verschuiven, nog steeds kan die pion zwak worden maar er is veel minder ruimte want verticaal kan geen toren de pion onder vuur nemen); wit kan met de pion f2-f4-f5 e6 ondergraven (wie e6xf5 speelt ziet de pion f7 zwak worden); wit kan de torens langs de c-lijn naar c7 proberen te manoeuvreren; wit kan op koningsaanval uitgaan (toren e1-e3-h3; dame d1-d3-h3; batterij loper c2 en dame d3, en als zwart g6 speelt volgt h4-h5); enzovoorts, enzovoorts. In elk geval: van de activiteit moet wit het hebben.

    Give me some hyperactivity

    Als de zwakte een inherente neiging heeft om een blok aan het been te zijn, en als wit het tragische lot van Lemmers hierboven niet wil volgen, dan is de kernvraag: hoe wordt de compensatie in de vorm van activiteit vormgegeven. En dat luistert allemaal erg nauwkeurig. Lemmers had hierboven ongetwijfeld grootse plannen, maar helaas (voor hem) kwam daar weinig van terecht. Het spelen met zwakte vraagt om aan de ene kant om nauwkeurigheid, en aan de andere kant vooral om genialiteit, om het vrijmaken van de eigen briljante ingevingen. De speler die tégen de zwakte speelt, zie je vaak preventieve maatregelen nemen, en moet goed opletten niet verrast te worden door combinaties of een activiteit die al te vervelende vormen aanneemt. Goede spelers zie je daarom ook bijna nooit in het middenspel op de witte zwakte d4 of de zwarte zwakte d6 afgaan. En als ze dat wel doen, is er een grote kans dat ze dit zwaar moeten bekopen.

    diabeekkonihelgLeon Konings – Reynir Helgason. Meesterklasse, 9e ronde 2000. LSG – Utrecht.

    Voorafgegaan aan deze stelling waren de zetten: Lc1-e3 Pc6-b4; Lc1-d2 Pb4xa2; Pb1-c3 Pa2xc3; b2xc3 Dd8-c8.

    In deze stelling volgde: c3-c4 bxc4; La4 Kd8; Tfc1 Tc7; Ld2 Ld6; La5 Ke7; Lxc7 Dxc7; Pxc4 Lxc4; Lb3 en wit won uiteindelijk.

    Kijk, zo moet het dus!

    Op zoek naar activiteit ruilde wit de eigen zwaktes in voor open lijnen naar de zwarte koning toe. De zwakte op c3 leek keurig netjes geblokkeerd, maar wat is mooier dan tijdig afstand te doen van een pion (met rente!) die op termijn alleen maar een zorgenkindje zal blijken te zijn?

    diabeekjensstraJelmer Jens – Sybolt Strating. Meesterklasse, 2000, zevende ronde. Utrecht – Amstelveen.

    Zwart had hiervoor het paard van f6 naar d5 gespeeld, wit sloeg toen met zijn loper van g5 de zwarte loper op e7, zwart sloeg tussendoor met het paard op d5 het witte paard op c3 (misschien had wit dit moeten verhinderen door in plaats van Lg5xe7 eerst Pc3-e4 te spelen), wit sloeg terug met pion b2 maal zwarte paard op c3, en nu slaat zwart verrassend met de koning de witte loper op e7. Hij moest waarschijnlijk wel, want op Dxe7 volgde ongetwijfeld d5. (Het thema van Nimzowitsch: de geïsoleerde pion is een crimineel die achter slot en grendel gehouden moet worden! Anders breekt hij uit en richt onheil en verdoemenis aan! Zijn advies in de strategie tegen de zwakte: inperken, blokkeren, wat stukken afruilen, en dan opeten die hap!)

    In de stelling Jens-Strating volgt na d5 waarschijnlijk Pf6, en na dxe6 Dxd1; Lxd1 zijn er meerdere mogelijkheden om naar een gelijkstaand eindspel af te wikkelen. Maar ja, dan staat de zwarte koning al in het midden, wat in een eindspel alleen maar gunstig is. Toch was dit waarschijnlijk de beste mogelijkheid voor wit.

    En anders is de kernvraag: hoe gaat wit activiteit ontwikkelen? Hoe kan wit profiteren van de stand van de zwarte koning? Jelmer probeerde het hier met a2-a4. Er volgde Txc3; axb5 axb5; Dd2 Dc7; Dg5 Pf6; Ph4 g6; Ld1 Db6; Lf3 Td8. En zwart stond al duidelijk beter.

    Dat zwart keurig netjes de witte zwakten/pionnen gefixeerd heeft, is wel duidelijk. Maar waar is de activiteit ter compensatie? Ik heb zelf gekeken naar Pg5, Lb3 en een offer op e6 dan wel f7. De zwarte koning komt dan uiteindelijk op f8, de witte dame of toren onvermijdelijk op e6, en de zwarte koning blokkeert voorlopig de zwarte toren op h8. Wit heeft dan wel compensatie, maar het ziet er naar uit dat de stelling ook dan houdbaar is voor zwart, en misschien uiteindelijk zelfs verloren voor wit. De zwarte stelling is flexibeler dan gedacht.

    Maar waarom, denkt de simpele ziel, dekt wit die pion op c3 niet? Bijvoorbeeld met Dd2? En na Dc7 volgt dan Dg5? Dan kunnen wij na Dd2 en g6 van zwart toch later Te3 spelen? Neen! Neen! Neen! Driewerf neen! Een zwakte dekken wij niet! Hoogstens tijdelijk! Wie zich bezoldigt aan het steevast dekken van de zwakte, tot in treurum adfinitum toe, kan hoogstens een masochist zijn, die groots plezier beleeft aan langdurig lijden. Hoewel ook sommige grootmeesters daar een frappante voorkeur voor kunnen hebben. De zwakte telkens maar meetornen is een lijden dat vergeleken kan worden met het zichzelf binden aan de zwakte van het menselijk wezen.

    jens05

    Jelmer Jens.

    Zoals Nietzsche ooit schreef: “De moraal van het vrijwillige lijden. Welk genot is het hoogste voor mensen in de oorlogstoestand van de kleine, steeds bedreigde gemeente waar de strengste zedelijkheid vigeert? Voor krachtige, wraakzuchtige, vijandige, geniepige, argwanend, tot het vreselijkste bereide en door ontbering en zedelijkheid geharde zielen dus? Antwoord: het genot der wreedheid; zoals het ook tot de deugd van een dergelijke ziel in deze toestanden gerekend wordt vindingrijk en onverzadiglijk te zijn in de wreedheid.” Kortom: Nietzsche zou in deze stelling in elk geval géén Dd2 spelen!

    Unterdeckung

    Nimzowitsch noemde dit terloops de unterdeckung van zwakke punten, net zoals de schaker de sterke punten moest überdecken. Van zijn veel geroemde überdeckung horen we niet meer zoveel, maar unterdeckung is nog even actueel als altijd. Tientallen grootmeesterpartijen zijn er, waarin men zich amper lijkt te bekommeren om het dekken van de zwakte. We moet er niet aan denken dat wit de zwakte op d4 gaat dekken met Le3, Pf3, Td1, enzovoorts. Nu zijn twee van de drie bovenstaande zetten overigens nog tamelijk veel voorkomende zetten, laat ik daarom een voorbeeld van Nimzowitsch zelf geven:

    diabeeknimzowitschHier is dus iets goed misgegaan in de witte opzet.

    Een ander voorbeeld dan. We moeten er niet aan denken dat zwart de zwakte d6 gaat dekken met Dc7, Td8, Pe8 en Lf8. (Gelukkig zien we dat soort rampen alleen nog maar in de duistere regionen van onderbond.) Dan heeft zwart niet alleen maar een zwakte, maar ook nog minder activiteit! En juist die activiteit is de enigst denkbare compensatie voor de zwakte. Als zwart zo gaat dekken, heeft wit alle tijd om te manoeuvreren, te hergroeperen, nieuwe zwakten te creëren en volgens het principe ‘manoeuvreren tegen twee zwakten’ de partij naar zich toe te trekken, omdat zwart door de gebondenheid aan de zwakte niet even flexibel kan meemanoeuvreren.

    We moeten ons bevrijden! Bevrijden van ons bekommernis om de zwakte! Dat ‘ons zorgen maken’ in de vorm van passieve zetten is de échte last, niet de zwakte zelf. Kijk maar:

    diabeekhaanheinEric de Haan – Thomas Heinrichs. Meesterklasse, vierde ronde 2000. Utrecht – ESGOO.

    De pion op f7 is de zwakte. De zwakte is gefixeerd (want gepend; want de witte pion staat op e5, en na ooit f6 of f5, wordt vervolgens e6 zwak), maar er is weinig ‘ruimte’. Alleen de loper kijkt naar f7. Lastig genoeg, evenwel. Na wellicht Lh4 op de volgende zet komt zwart nog meer vast te zitten. Zonder blikken of blozen speelt zwart hier 0-0-0. Na Lxf7 volgde Pc7, en wat heeft zwart? Een zwarte toren komt met tempowinst op de f-lijn, er is meer ruimte naar de witte koning, en in het centrum kan zwart nu ongestoord de boel openen, zonder zich zorgen te hoeven maken om de eigen koning. Er volgende overigens (na Lxf7 en Pc7): De2 Thf8; Lxe6 Pxe6; d5 en na een spannende strijd wist Eric de partij naar zich toe te trekken. Maar zwart was zeker niet zonder compensatie.

    haan07

    Eric de Haan.

    diabeekzagebouw1W. Zagema – A. Bouwmeester. HSG – Utrecht, 3e ronde meesterklasse, 2000.

    Wie in deze stelling Tb1 speelt, wordt volgend jaar opgesteld in het nog op te richten achtste team van Schaakclub Utrecht!

    Aan deze stelling vooraf ging: Lc1-g5 Pf6xd5; c4xd5 Dc6-b6. Vanuit deze diagram volgde: Le3 (maar natuurlijk!) Dxb2; Tb1 De5; Dc2. En dan krijgen we de diagram hieronder.

     .

    .

    .

    diabeekzagebouw2De zwakte van b2 is weliswaar niet gefixeerd (na a5 of a4 zou dat wel het geval zijn), maar ook al kan wit wel b4 spelen (als de toren niet op a1 staat), dan nog kan zwart later a5 spelen, en na afruil wordt ofwel de witte pion op b4, dan wel de witte pion op a3 zwak.

    N.B., als zwart na Dxb2 en Tb1 op a3 geslagen had, was na Dxa3 Tb3 gevolgd. Op Da4 volgt Lb5 en Lc6, en op Da2 kan onder andere Lc4 volgen.

    Het moge duidelijk zijn: als er werkelijk geen ander alternatief zou zijn geweest, dan maar dekken met Tb1. In eerste instantie gaan de blikken toch ergens anders heen. De open lijnen die ontstaan als de zwakte verdwenen is, komen het witte spel alleen maar ten goede.

    Een witte dreiging in de diagramstelling is Dc6. De pion op d5 is taboe vanwege Lc4. Na Lf5 volgt Tb7 en wit wint in ieder geval een pion terug met betere stelling, omdat de witte lopers damevleugel, ja bijna het hele bord controleren. Zodra pion a7 valt, zal de potentiële vrijpion van a3 lastig te stoppen zijn.

    Feitelijk heeft wit nu de rollen omgekeerd. In plaats van dat wit de zwakte b2 torst, heeft zwart nu weliswaar een pion meer, maar zelf twéé zwakten, namelijk a7 en c7! Wat nu te doen? De8?! En de zwakte op c7 dekken met Lf6-d8?! Verliezen we hoogstens nog maar pion a7?! Maar wie weet kunnen we die nog redden met a6?! O nee, dat lukt ook niet!

    André speelde in deze stelling c5, en bekommerde zich niet om het lot van zijn zwakte! (André hoeft volgend jaar níet opgesteld te worden in het achtste!) Er volgde dxc6 d5; Tfd1 Le6; Tb7 Tc8; Txf7 Kxf7; Ld4 Dc7; Lxg7 Kxg7; Db2 Kg8; La6. Wit ruilt de verdedigers van de zwarte koningsstelling en uiteindelijk zou de combinatie van de vrijpion op c6 en de onveilige situatie rond de koning zwart fataal worden.

    Het lijkt zo en zo een betere stelling voor wit. En dan is het lastig om nog een weg te vinden die bevredigend is voor zwart. Maar laten we evengoed eens kijken naar een principiële benadering. Zwart is de speler met de zwaktes. De zwaktes verdedigen en kijken hoe zo stand gehouden zou kunnen worden, lijkt een weinig raadzame weg. De zwaktes lijken op den duur onhoudbaar. Wit gaat dan profiteren van de stelling door de a-pion genadeloos op te spelen. (Een goede speler zou niet eens proberen als eerste de zwaktes veroveren, maar alvast de a-pion naar a6 op laten rukken, terwijl zwart toch gebonden is aan het dekken van de zwaktes. Laat maar lekker bungelen, die tegenstander!)

    Maar wat hebben we inmiddels geleerd?! Zwart moet altijd bereid zijn de eigen zwakte te offeren (oftewel de twee pionnen op a7 en c7). Unterdeckung! En bovendien: tegenover zwakte moet activiteit staan! En dan is de kernvraag: waar kan zwart activiteit vinden? André Bouwmeester zocht het in het centrum. Geen gekke gedachte, maar het lukte uiteindelijk niet omdat zwart geen d5-d4 kon doorzetten. En dan is de pion op c6 wel erg sterk.

    Waar is nog meer activiteit te vinden? Een alternatief was geweest: op de koningsvleugel. Zwart had bijvoorbeeld ook Ld7 kunnen spelen. Laat die pion op d5 maar lekker geblokkeerd staan. Na Dxc7 volgt Taf8 (Lb5 Dc2 Lxe2 Dxe2 Dxd5 mag van mij ook) en de dame moet uiteindelijk weer terug. Na Tb7 (in plaats van Dxc7) kan zwart met de dame op d5 slaan. En na Td1 (in plaats van Dxc7) volgt g5 of h5. Mogelijke zwarte plannen zijn: h5-h4 en dan g5-g4-g3. Mocht wit zelf g3 spelen volgt hxg3; indien hxg3 volgt een aanval over de h-lijn, indien fxg3 kan wellicht Tf3 gespeeld worden. Een ander plan is: h5, Lg4, Df5 en Lf3 (als geruild wordt op g4 volgt hxg4 en gaat de zwakte op h2 een rol spelen).

    Het zijn allemaal wat trage plannen, misschien te traag om de zwarte stelling nog te houden. Een mogelijk tegen-plan van wit is het promoveren van de a-pion. Maar dat is wellicht ook te traag.

    Wit zal objectief gesproken evengoed wel winnen, bijvoorbeeld door de torens op de zevende rij te zetten en te proberen alle toren te ruilen. Lc8-d7 is waarschijnlijk niet veel beter dan c7-c5. Het zijn echter twee exemplarische mogelijkheden van hetzelfde principe.

    andrebouwmeester02

    André Bouwmeester.

    Het orakel spreekt.

    De relatie tussen zwakte en activiteit is als die tussen vader en zoon. Of beter gezegd: tussen Vader en Zoon. Wie weet immers niet hoe Zoon wekenlang in de woestijn ploeterde voordat hij de hoge berg beklom om het Woord te beluisteren? De Weg was zwaar. Zoonlief had zojuist een partij gespeeld waarbij hij langdurig moest Lijden onder de eigen zwakten. En uiteindelijk, ondanks dat alles keurig netjes gedekt stond, verloor hij toch! Deze Kwelling was Hem te zwaar, en daarom zocht Zoonlief raad bij Vader, die vroeger zelf menige prutser van het bord afmepte (zoals bijvoorbeeld de heer B. Fischer, die nota bene ook nog wit van Hem kreeg). Tegenwoordig, echter, beperkt Hij zich tot orakelgeblaat en overige wijze prietpraat over het schaakleven, zoals het elke nestor heden ten dage betaamt. Ook ondergetekende is daar een goed voorbeeld van. Zoon klauterde daar die berg omhoog, af en toe een paar meter naar beneden struikelend (om enige heroïek aan deze filmische beelden te geven), en zag de top maar langzaam naderbij komen. Uiteindelijk bereikte hij dan toch zijn Vader, die daar languit in een stretcher lag, onder een parasolletje, met een krantje in zijn hand en lekker cocktailtje naast hem.
    “Papa?”
    “Ja?”
    “Pappaaaaa!”
    “Jahaaaaa!”
    “Doe je ogen dan eens open!”
    “Oké, wat is er dan, zoonlief?”
    “Papa?”
    “Ja?”
    “Hoe moet ik met de zwakte versus activiteit discussie omgaan?”
    “Veel oefenen, jongen, dan kom je er vanzelf wel!”
    “Wat heb ik daar nou weer aan, papa?!”
    “Goed, luister dan naar mijn wijze raad.”
    En papa spreekt:
    De zware zwakte is als een lichte Weg.
    De lichte Weg gaat over een hobbelig pad.
    Wat hobbelig is moet vlak worden.
    Wat wit is moet zwart worden.
    Als het plan open is,
    is het hoofd leeg.
    Als het hoofd leeg is,
    Is het hoofd vol met mogelijkheden.
    Wie beweegt, staat niet stil.
    Wie doet, wacht niet tot hij moet doen.
    Wie doet, die doet.
    En zoonlief, nog maar net acht jaar oud geworden en teruggekeerd van zijn eerste avondje schaakles, denkt daar nog eens diep over na. O ja, pappa bedoelt natuurlijk dat je gelijk al activiteit moet opzoeken met een zwakte, en niet moet wachten tot het te laat is, want anders lukt dat niet meer! Logisch!
    “Papa?”
    “Ja?”
    “Pappaaaaa!”
    “Jahaaaaa!”
    “Doe die krant dan eens weg!”
    “Oké, wat is er dan, zoonlief?”
    “Papa?”
    “Ja?”
    “Ik ken ook een raadsel!”
    “Mja?”
    “Je moet dan vragen ‘wat voor raadsel’, papa!”
    “Oké, wat voor raadsel dan, zoonlief?”
    “Het is bruin en het stinkt.”
    “… een drol?”
    “JAAAAAA!!!!!”
    (Het humoristische van deze situatie snapt alleen de vader van een zoon, vrees ik.)

    Who is afraid of a sacrifice?

    Te allen tijde moeten we bereid zijn de zwakte te offeren. En dat gebeurt ook regelmatig.

    diabeekvreuoostDennis de Vreugt – Erik Oosterom. Meesterklasse, derde ronde 2000, HSG- Utrecht.

    Het offer van de pion op b2 is zo onderhand klassiek. Het Siciliaans kent daar vele voorbeelden van. Hier nog een mooi voorbeeld. Natuurlijk verliest zwart tijd door te slaan op b2, maar is de enige compensatie voor wit tijdwinst? Natuurlijk lukt het wit om activiteit te vinden, maar dat was zonder het pion-offer op b2 ongetwijfeld ook wel gelukt. Het gaat er meer om dat de zwakke broeder b2 (die in het Frans en Siciliaans op kan spelen) gepromoveerd wordt tot broederlijke kracht (b-lijn met uitzicht op eventuele zwakte op b7). Liever jagend achtervolgen zonder zak goud, dan hijgend achtervolgd worden mét zak goud.

    Overigens bracht de activiteit van de witte stukken Oosterom op de rand van de afgrond. Hij wist zich knap staande te houden. Wellicht is de witte opzet iets te ambitieus. Of misschien heeft zwart gewoon heel goed gespeeld (ook zelf een zwakte geofferd voor activiteit?!) In elk geval bleek later in de partij dat de zwarte stukken meer dynamiek vonden dan de witte. Het raakt een ander thema, namelijk dat het initiatief niet onder alle omstandigheden tot het einde toe vastgehouden kan worden, maar vaak tijdig omgezet of getransformeerd moet worden in een ander voordeel (bijvoorbeeld positioneel of materieel).

    Het twijfelende muntstuk kan nog altijd twee kanten opvallen!

    Wie wil er nu een zwakte?

    Het is absurd: de gedachte dat een speler een zwakte zou willen in de eigen stelling. Toch blijkt het vaak voor te komen dat een speler bewust een zwakte op de koop toe neemt, uiteraard wel in ruil voor activiteit die ervoor ontwikkeld kan worden. Neem de volgende stelling.

    diabeekkoningsindisch1In deze standaard stelling uit de fianchetto van het Konings-indisch kan zwart vervolgen met meerdere plannen. Laat ik echter twee plannen tegenover elkaar zetten. Allereerst kan zwart kiezen voor c7-c6. De dame gaat dan vervolgens naar b6 of a5, eventueel later nog naar b4 om c4 meer onder druk te zetten. Eventueel in combinatie met a7-a5-a4 en op b3 een zwakte laten ontstaan (want c4 moet gedekt worden). Ook kan vervolgd worden met Te8 en Pc5, of Pg4 en Pe5 (druk op c4).

    Het ander plan bestaat uit a7-a6, Tb8, Pc5, Te8, Ld7, eventueel b7-b5-b4, nadat c4xb5 tussendoor gespeeld is.

    In het eerste plan heeft zwart een zwakte, namelijk d6, in het tweede niet. Toch belooft de theorie ons alleen in het eerste plan een spel met gelijke kansen. Bij het tweede plan staat wit beter. Paradoxaal? Toch?

    Het blijkt dat de zwakte d6 de zwarte stelling meer ruimte tot manoeuvreren geeft, wit meer beperkt (Pd5 is niet meer mogelijk; de witte loper diagonaal h1-a8 wordt geblokkeerd) en ook een zekere dynamiek geeft (om eventueel d5 door te zetten, bijvoorbeeld, wat overigens niet vaak gebeurt). Net zoals de zwakte d4 (bij de geïsoleerde pion) garant staat voor dynamiek in de witte stelling (het dekken van de aanvalsvelden e5 en c5, de dreiging d4-d5, de open c- en e-torenlijnen, de open witte loperlijnen). Activiteit als compensatie voor een zwakte. Maar ook omgekeerd: zwakte als basis voor activiteit.

    diabeekhoffwemmM. Hoffman – X. Wemmers. Ronde 4 in de meesterklasse 2000, ESGOO – Utrecht.

    Xander had voorafgaand aan deze stelling c7-c6 gespeeld, en er volgde b5xc4, b7xc6, Pd5-e3. Toen ontstond de diagram. Ziedaar onze profetie die waarheid wordt! Xander neemt de zwakte op d6 (en eigenlijk ook op c6) op de koop toe! Maar nu volgt De8. En na het Tad1 volgt f7-f5. Wit won een pion met Pb5 en had ook nog beter stukkenspel. Kennelijk had Xander iets overzien, want ik kan me niet voorstellen dat dit de bedoeling was. Na De8; Tad1 f5 en Pb5 volgde: Tb8; Pxd6 De6; La3 Pcd7; Pd5 Kh8; Pf4 en wit staat behoorlijk beter.

    De pion op c6 moest gedekt worden, oké, maar de dame staat op e8 niet extreem actief. Daarnaast zoekt Xander blijkbaar de activiteit in de opstoot van de f-pion, maar creëert daarbij wel een nieuwe zwakte, namelijk de koningsstelling. Hij breekt met de regel dat een stelling wel één zwakte kan verdragen, maar niet twee. Als we teruggaan naar de stelling uit de fianchetto van het koningsindisch, kan zwart in plaats van c7-c6 ook kiezen voor het plan f7-f5 (eigenlijk staat het zwarte paard dan beter op c6 in plaats van d7). Maar een combinatie van beide plannen loopt meestal slecht af (c7-c6 èn f7-f5) en raadt de theorie af. De tegenpartij kan dan gelijk al beginnen aan het manoeuvreren tegen twee zwakten (de tweede zwakte is dan ofwel pion f5, na e4xf5 en g6xf5, ofwel de verzwakte zwarte koningsstelling).

    Misschien was het handiger geweest om elders activiteit te zoeken. Bijvoorbeeld in het onder vuur nemen van de pion op c4 (eerst Dc7, en dan La6 of Le6, eventueel in combinatie met Tb8-b4). Of anders druk op de b-lijn opvoeren door torens daar te verdubbelen. De zwarte pion op a5 kan eventueel naar a4 of a3 oprukken en het veld b3 verzwakken (als wit a3 speelt) of de diagonaal a1-h8 kwetsbaar maken.

    Dit is het type nadeel dat bij het accepteren van de zwakte hoort: op de speler die de zwakte in bezit heeft, rust vervolgens wel de opgave om de activiteit ook waar te maken. In het voorbeeld van de geïsoleerde pion d4 kan dit heel plastisch liggen: als het witte initiatief niet doorslaat, is de kans groot dat zwart het eindspel wint.

    Overigens won Xander de partij uiteindelijk nog wel, na een fout van zijn tegenstander.

    wemmers05

    Xander Wemmers.

    Wie gelooft dat nu?

    De dynamiek achter de zwakte d6, wie gelooft dat nu? En als zwart dan de eigen zwakte offert, wat is de compensatie daar dan voor? Meestal is dat behoorlijk vage compensatie, vaak ook compensatie op langere termijn, zoals in de partij Dennis de Vreugt tegen Erik Oosterom (hierboven) ook wel bleek. Maar de compensatie zit er meer in de kansen die de nieuwe stelling bied dan dat ze in de oude stelling gezien kan worden.

    diabeekhaansollNeem de linkerdiagram.

    Eric de Haan – Maarten Solleveld. Meesterklasse, 7e ronde 2000, Utrecht – Amstelveen.

    Wit wint toch gewoon een pion? En wat heeft zwart daar tegenover te stellen? Maar na dxc6 dxc6; Dxd6 Dxd6; Txd6 Le6; Pc1 Tfc8; Le2 Tab8 heeft zwart druk tegen de zwakke pion op b2. Het is weliswaar een eindspel maar het spel is omgekeerd: zwart heeft de eigen zwakte geruild voor zwaktes op de witte damevleugel. Ook de pionnen op a4 en c4 zijn kwetsbaar. Wit besluit later de zwakte op b2 (welhaast noodgedwongen) terug te geven, ruilt vervolgens alle torens, maar dan staat zwart in het eindspel toch beter, simpelweg omdat de zwarte pion nog op c6 staat, waar de witte al c4 bereikt heeft. Het is niet voor niets dat in het Konings-indisch c4 de pendant van d6 is.

    Maar goed, ook al had wit die pion op b2 gered of kunnen redden, dan nog is de lange termijn druk op de damevleugel iets waar elke speler van het Wolga-gambiet jaloers op zou zijn.

    diabeekkarpkasp1Neem anders de linkerdiagram.

    Dit is Karpov tegen Kasparov, Linares 1993. Zwart heeft zojuist a7-a6 gespeeld. Karpov wrijft in zijn handen en denkt: die heb ik binnen! Hij slaat met de pion d4 op e5 en wat nu? Misschien verwachtte hij d6xe5 en dan volgt c4-c5. De zwaktes op de damevleugel zijn gefixeerd en een genoegen voor elke positie-speler. En als zwart met het paard op e5 slaat, wint wit over een paar zetten de pion op d6.

    Welnu, die pion op d6, die veroverde hij inderdaad. Echter, tien zetten later stond het zo:

    .

    diabeekkarpkasp2Nog nooit heeft Karpov ooit zo slecht gestaan. En toch heeft hij slechts een klein onnauwkeurigheidje begaan. Deze diagram, met alle witte stukken op de onderste rij, is de hele wereld over gegaan.

    En niet alleen Karpov, maar ook Kramnik en Shirov hebben er tegen Kasparov aan moeten geloven toen zij geconfronteerd werden met de compensatie die uit het pionoffer van d6 volgden. Je zou bijna denken dat pion d6 vergiftigd is!

    Het is me in grootmeesterpartijen altijd al opgevallen hoe weinig aandacht er door spelers geschonken lijkt te worden aan de zwakte. Heel lang doet niemand aanstalten om de zwakte te belagen. Er wordt gesignaleerd wat de zwakten zijn, maar een plan om ze te veroveren zie je niet. Je kunt er wel op afstormen, maar dan blijkt het voordeel van de winst verwaarloosbaar te zijn als elders compensatie gevonden wordt. En in sommige gevallen blijkt het potentieel om te dekken groter te zijn dan van de aanval. Dan zijn beide spelers gebonden aan dezelfde boeien.

    Het doet me denken aan een film waarin Sean Penn en Robert Duvall speelden. Ik weet niet meer hoe die film heette, maar het was in ieder geval zo’n typische platvloerse, groffe macho-film. Sean Penn is in deze film een jonge politieagent die begeleid wordt door de oudere, wijze collega, te weten Robert Duvall. Affijn, op een gegeven moment rijden ze samen door een lugubere wijk waar vast allemaal dingen gebeuren die niet in de haak zijn. Sean Penn ziet daar een groep jongeren die ogenschijnlijk drugs aan het verhandelen zijn. Sean Penn schreeuwt daarom tegen zijn collega: STOP!!!! Hier snel aan de kant! Sneller dan, sukkel! Je lijkt wel een ouwe vent! Robert Duvall stopt en Sean Penn springt de auto uit en rent op het groepje gespuis af. Dat groepje ziet de jonge politieagent toesnellen en stuift vervolgens uiteen, alle mogelijke en onmogelijke kanten op. Sean Penn komt aan op de plek waar het groepje jongeren zonet was, en … iedereen is weg! Verdwenen! Foetsie! Hij kijkt verbaasd om zich heen … de hele buurt is uitgestorven. Hoe kan dat nou? Zonet stonden ze hier allemaal nog! En daar komt dan rustig Robert Duvall aanwandelen. Hij schudt zijn hoofd en zegt tegen Sean Penn: Kom, we gaan weer! Eenmaal bij de auto aangekomen zegt Duvall tegen Penn dat hij kennelijk nog niet begrijpt hoe je dit soort dingen moet aanpakken. Geeft niet hoor, je bent nog jong …! Maar goed, ik zal wel even uitleggen hoe dit wel werkt. Luister goed naar de volgende anekdote! Duvall hangt met zijn armen over de politie-auto heen, en legt uit:
    Two bulls: father and son. Both standing on the top of the hill. Down: lots of them cows. Says son bull to his father: “Father! Father! Lets run down the hill and fuck one of them cows!” Father bull shakes his head. And disapproves! “No son, we don’t do things like that! We WALK down the hill … and fuck them all!

    Wat hebben we van dit verhaal geleerd?!

    1. Een zwakte is bij voorkeur iets waarmee je een tegenstander langdurig laat lijden voor deze pgepeuzeld wordt.
    2. Nooit de tegenstander enige compensatie gunnen bij het veroveren ervan.
    3. Liefst bij voorkeur veroveren als er inmiddels een tweede zwakte gecreëerd of in beeld is.
    4. Die film van Sean Penn en Robert Duvall is inderdaad een groffe, platvloerse macho-film.

    Epiloog: de mystiek achter het mysterie ontsluierd

    diabeekbeekschwEn tot slot laat Arie nog even zien hoe het moet.

    A. van Beek – Arie Schwartz. Meesterklasse, ronde 6 2000, Rotterdam – Utrecht.

    Kijk, Arie begrijpt dat nu zwakte en activiteit samenhangen. Hij offert de zwakte en zie hoe de zwarte stukken vanuit verborgen spelonken ineens tevoorschijn springen: d6-d5; exd5 Te3; Ph5 Lh3; gxf6 Pxf6; Pxf6 gxf6; Dd2 Tae8.

    Net alsof een gemeente-instelling te horen krijgt dat ze bedrijfsmatig moet werken! De zwakte wordt ingeruild tegen activiteit. En Arie wacht niet tot het kalf verdronken is! Over een paar zetten heeft wit zodanig zijn stelling versterkt dat hij alleen nog maar kan dromen van dit soort mogelijkheden!

    schwartzArie Schwartz.

Comments are closed.