• Mannen van eer

    Posted on februari 14, 2016 by in 1918 - 1960

    Bert Kieboom

    Bert Kieboom, oud-voorzitter van Schaakclub Utrecht en erelid, over zijn komst bij Schaakclub Utrecht in 1950, de jaren erna, de schakers bij Schaakclub Utrecht, en ook over het grote conflict dat SCU met de SGS gehad heeft.

    kieboom2

    Utrecht – Argentinië, 1950. De 15-jarige Bert Kieboom (achter Euwe) besluit om lid te worden van SCU. Helemaal links zien we nog net het hoofd van Spanjaard, die tegen een andere Argentijn speelt.

    Het beeld van de Schaakclub Utrecht in 1950 – het jaar dat ik als vijftienjarige mijn entree maakte – is voor mij verbonden aan de lokalen van Sociêteit De Vereniging aan de Mariaplaats. In mijn herinnering hangt de geur van boenwas, zoiets als perkament en iets smerigs. Tegels van Delfts blauw en diepbruine lambrizeringen voltooien het beeld. Op de tafels stonden de grote borden, met de glanzende, allemaal van groene viltjes voorziene stukken.

    Kort tevoren had ik kennis gemaakt met de club tijdens een schaakmanifestatie in het Gebouw van Kunsten en Wetenschappen, waar een versterkt Utrechts team tegen Argentinië speelde. Met groot ontzag zag ik Spanjaard remise maken. Euwe speelde tegen Bolbochan. Daar kwam mijn besluit vast te staan: ik moest lid worden van die club.

    Het was een plechtige omgeving waar ik verzeilde. Het eerste tiental had een eigen kamer, waar je tussen grootheden als Van Steenis, Visser, Van Vloten, Van Oosterwijk Bruyn, Aarts, Den Hartoog en Van Hal, met de geduchte voorzitter Spanjaard, haast geen adem durfde halen.

    Bereidwillige oudere heren

    Bereidwillige oudere heren leerden het broekje de wetten. Na enige maanden speelde ik mijn eerste wedstrijdpartij, tegen een stokoude heer, die beverig zijn zetten uitvoerde. Het is nu net alsof er toen meer kleurige figuren op de club waren. Je had kapper G.L. de Brie, voor de oorlog een der besten, die, als hij won, een gelukzalige glans in zijn ogen kreeg. Dan sprak hij over ‘zijn lopertjes en zijn paardjes’. Uit de grond van zijn hart kon hij tegen zijn verpletterde tegenstander zeggen: Wat is het toch een mooi spel, mijnheer!

    In zijn kapperszaak speelde De Brie tussen het knippen door wel eens een partijtje schaak; je moest als klant geen haast hebben. Een keer heeft hij op die manier zelfs simultaan gegeven aan vijf borden. In zijn laatste levensjaren kwam hij nog iedere speelavond naar de club wandelen, onderweg telkens even uitrustend op een bank in het park. Eens vroeg een ongeruste politieagent hem, in het holst van de nacht, wat hij daar deed. Ik zit op mijn meisje te wachten, antwoordde de hoogbejaarde onverstoorbaar.

    Het laatst zagen we De Brie in 1961 op het PAM-toernooi; hij was ontsnapt uit het verpleeghuis. Hij werd in een stoel gezet naast de belangrijkste partij van die dag en volgde deze aandachtig, tot het eind. Toen bestelden we een taxi die hem terug bracht. Een paar dagen later is hij gestorven. Na een clubavond – we speelden toen in het NV-huis – vroeg Mr. Hamming mij een keer of ik nog zin had wat met hem te kaarten, in De Vriendschap. Ik was verguld en kwam, als snotneus van zestien, zeventien jaar ’s nachts om drie uur thuis. Boven aan de trap stond mijn hoogst verontruste en boze vader, in nachtgewaad. Hij informeerde waar ik zo laat vandaan kwam. Had ik nu maar gezegd dat ik een bordeel had bezocht; hij zou het mij vermoedelijk hebben vergeven. Maar ik vertelde dat ik met een professor had zitten klaverjassen. Dat werd mij kwalijk genomen. Mijn vader hield niet van leugenaars.

    En dat zijn dan nog maar twee van de oude getrouwen. Je had de voormalige fietskampioen Westbroek, die de schaakstukken als waren het mokers op het bord liet neer dreunen. Van tijd tot tijd schalde een krachtig schaak door de zaal. Piano-vervoerder Letter was niet zo’n sterk schaker; naar aanleiding van zijn spel werd de zinsnede ‘hij schaakt als Letter’ geboren. Maar hij was ook een gemoedelijk man, die zich met andere plezierschakers, zoals fotograaf Germann (‘fotografeert beter dan hij schaakt’) uitstekend kon amuseren.

    Klompen netjes voor de deur

    Zelf speelde ik in die eerste jaren tegen clubs als Waverveen, die zijn speelavonden hield in het dorpsschooltje, met een paar gevreesde topborden, de gebroeders Teeuwen. Het waren landbouwers, met heel grote handen, die met een verbazingwekkende nauwkeurigheid de schaakpoppetjes over het bord stuurden. De klompen stonden er netjes voor de deur en binnen schonk een vriendelijke gastvrouw reusachtige mokken koffie uit een ketel. Met zelfgebakken koek op het schoteltje.

    Ook moesten we een keer een competitiewedstrijd spelen tegen de schaakvereniging van een psychiatrische inrichting, waar de tegenstanders ons zo vervaarlijk aankeken dat we haast niet dorsten te winnen. Voor uitwedstrijden huurden we vaak een bus. Onvergetelijk waren de terugtochten, in het bijzonder als we gewonnen hadden. We hebben eens iemand zakken volgestopt met kroketten en slagroom op zijn hoofd gespoten. De ongelukkige had het winnende punt gescoord.

    Mijn vroegste clubjaren overlappen het overzicht van Jan Visser. Daarover kan ik dus kort zijn. Na het vertrek van de ‘Musketiers’ zonk de club tijdelijk wat weg. Het eerste tiental degradeerde onmiddellijk uit de hoofdklasse en het heeft jaren geduurd voordat de club die klap te boven was.

    De gigantische ruzie

    Ik ben geen historicus en schrijf dit opstel bijna uit het geheugen. Nimmer zal daaruit vervagen de gigantische ruzie die in het seizoen 1958-’59 ontstond tussen onze club en de Stichts-Gooise Schaakbond, naar aanleiding van een voortijdig afgebroken wedstrijd Utrecht 2 – BSG 2, wegens mist.

    Deze wedstrijd stond 1-1 toen een allengs dichter wordende mist de bezoekende vereniging dwong de laatste trein naar huis te nemen, omdat vervoer per auto niet verantwoord was. Utrecht bood aan de nog niet beëindigde partijen over te spelen, maar Bussum wilde ze afbreken en de telefonisch geraadpleegde wedstrijdleider Schoep wilde dat ook. Onze wedstrijdleider Boorman achtte dat onreglementair. Er rees een conflict, dat ermee eindigde dat de wedstrijd voor Utrecht 2 met 9 – 1 verloren werd verklaard.

    Deze rel, die later door bemiddeling van Hans Bouwmeester zou worden bijgelegd, heeft een vertrouwenscrisis binnen de Stichts-Gooise Schaakbond veroorzaakt, die bijna tot een schisma in het Utrechtse leidde. Een buitengewone SGS-vergadering was geheel aan dit conflict gewijd. Wij zijn mannen van eer en wij nemen het niet, brieste een bondsfunctionaris.

    Mannen van eer nemen het niet, zette ik als niet geheel onpartijdig verslaggever van een plaatselijke krant als kop boven het artikel over deze vergadering. Met Schoep kan ik het nu weer goed vinden.

    Met grote voortvarendheid heeft onze voorzitter van die dagen, P.J.G. Stuiver, zich in dit conflict gestort. Het greep hem overigens wel aan, want hij heeft zelfs overwogen zijn functie ter beschikking te stellen. Het ging de club ook in andere opzichten (een dalend ledental en slechte wedstrijdresultaten) niet naar den vleze.

    In het clubblad van september 1959 onthult Stuiver de notulen van de SGS-vergadering van 13 juni, ‘aan de leden ter overdenking aanbevolen’:

    Het bestuur van de Stichts-Gooise Schaakbond heeft niet gereageerd op de verdachtmakingen van de Schaakclub Utrecht (…) Tot welke inferieure uitspraken men kan komen, bewijst het artikel van de heer Stuiver in het clubblad van de Schaakclub Utrecht, waarin, sprekende over de vergadering die zulk een onaangenaam verloop heeft gehad, de heer Andriesse wordt voorgesteld als iemand die bereid is anderen lichamelijk letsel toe te brengen en de heer Schoep als een lasteraar wordt afgeschilderd, zonder dat de heer Stuiver ook maar enig bewijs voor zijn grove beledigingen kan aanvoeren.

    Onvoorstelbaar wat in die barre dagen door en door fatsoenlijke mensen elkaar naar het hoofd hebben geslingerd. Het jaarverslag over 1958-’59 gewaagt van een ‘zeer bewogen’ jaar, waarin de gebeurtenissen “de vereniging in een strijdpositie hebben geplaatst, die tot op de huidige dag onverminderd voortduurt.” Wedstrijdleider Olie werd dit jaar opgevolgd door Boorman, ons huidige erelid. Twee klinkende namen.

    In de jaren die volgden, waren opbouwender zaken aan de orde. De schaakclub stond voor haar 75-jarig bestaan. Dat ging geld kosten, voorspelde het clubblad bezorgd. Overwogen werd even de Bondswedstrijden nog eens in Utrecht te houden, maar uiteindelijk werd gekozen voor een groot, internationaal toernooi, het eerste dat ooit binnen Utrechts poorten zou worden gehouden. Als sponsor wierp zich op de Steenkolen Handelsvereeniging en het toernooi werd gedoopt naar het handelsmerk PAM.

    scu1-1965

    Het eerste team rond 1965. Boven, van links naar rechts: Brouwer, teamleider Boosman, Tom de Ruiter, Frits Stegeman, Bert Kieboom, Jan van de Pol, ds N.J. Goris. Beneden, van links naar rechts: Eduard Spanjaard, J. B. Polee, Hans Bouwmeester, Dick van Geet.

Comments are closed.