• George van Vloten

    Posted on maart 13, 2016 by in 1918 - 1960

    Jan Visser

    Als George van Vloten over zichzelf vermeldt dat hij ‘in de verdediging wel eens een uitschieter had’, poneert hij daarmee een schitterend eufemisme, tekenend overigens voor de uiterst bescheiden en sterk relativerende persoonlijkheid die hij is. Gelukkig heeft zijn teamgenoot van vroeger, Jan Visser, in zijn schaakjournalistieke ‘Vissticks’ enkele boekjes over hem open gedaan. Daaruit het volgende.

    Kent u het gevoel van triomf of neerslachtigheid over een eindstand, als u ontdekt dat u de dans bent ontsprongen of te weinig hebt gekregen? Vooral als dat laatste het geval is, is chagrijn niet van de lucht. Dagen kan het aan je vreten. De hoofdfiguur in dit stukje is Dr. G.W. van Vloten, in de jaren veertig en vijftig een geducht hoofdklasser uit Utrecht.

    In een toernooi te Beverwijk in 1948 kwam hij met zwart tegen de zwakkere Zoontjes niet verder dan de volgende stand, die geen eindspelcomponist verbeterd zou kunnen hebben.

    diazoonvlotDe witspeler bood in deze stelling remise aan op grond van de volgende overwegingen: met mijn koning kan ik nooit op h5 slaan, omdat dan e4 volgt en mijn koning is buiten het kwadraat. Ook Ke6, gevolgd door b6 en dan doorlopen met de c-pion is niet winnend. Zie: 1.Ke6 e4 2.b6 Kxb6 3.Kxd6 exf3 4.c7 f2 5.c8D f1D. Van Vloten accepteerde het halve punt onmiddellijk en toonde de stom verbaasde witspeler aan, dat deze partijstand een gave eindspelstudie is. De winstgang is als volgt:

    1.Kf5-g5 Kc7-b6. Zwart moet tussen b6 en c7 heen en weer spelen. 2.Kg5-h4 … De koning blijft in het kwadraat. 2… Kb6-c7 3.Kh4-h3 Kc7-b6 4.Kh3-h2 Kb6-c7 5.Kh2-g2 Kc7-b6 6.Kg2-h3 … De witte koning heeft een driehoekje uitgevoerd, wat zwart niet kon nadoen. 6… Kb6-c7 7.Kh3-h4 Kc7-b6 8.Kh4-g5 Kb6-c7 9.Kg5-f5 Kc7-b6. Nu is het verschil met de beginstand dat de zwarte koning op b6 in plaats van op c7; wat dat uitmaakt komt nu: 10. Kf5-e6 e5-e4 11.Ke6xd6 e4xf3 12.c6-c7 f3-f2 13.c7-c8D f2-f1D 14. Dc8-a6 mat. Pion b5 moest dus gespaard blijven.

    Van Vloten en ik waren goede vrienden. Toen ik van dit voorval kennis nam en er met hem om schaterde, kon ik niet bevroeden, dat ik enige jaren later zelf het slachtoffer van hem zou worden. In 1948 en 1949 was ik kampioen van de Stichts-Gooise Schaakbond en in 1950 moest ik mijn titel verdedigen, tegen onder andere en vooral diezelfde Van Vloten. Na een adembenemend gevecht ontstond de volgende stelling.

    diavissvlotNa 55.g5-g6 Kd5-e6 verzonk ik in diep gepeins. Mijn koning staat genageld aan f3 en het zwarte groepje Pe4 en pion h3 is onaantastbaar. Ik kan dus alleen spelen met loper en pion. Als de zwarte koning pion g6 verovert, kan hij met zijn a-pion mijn loper winnen en vervolgens zetdwang creëren. Na 56.g7 volgt Kf7 en de pion valt. Na bijvoorbeeld 56.Lc1 Kf6 is het ook uit. Ik gaf dus op. Grote verbazing bij de zwartspeler, die onmiddellijk aantoonde, dat 56.Lh6-f4 remise maakt, omdat wit een beslissend tempo kan winnen. Bijvoorbeeld: 56… Kf6 57.Kxe4 a3 58.Le5 Kxg6 59.Kf3 en de koning is weer in het kwadraat. Op 56… a3 volgt 57.g7 Kf7 58.Le5 en het is gepiept.

    Nu kon ik wel huilen. Zo je titel verspelen! Van Vloten werd SGS-kampioen en ik moest tot 1955 wachten, voordat ik de titel, na onder meer een beslissend gevecht met Spanjaard, terug had…

    In 1946 ontstond in het toernooi om het kampioenschap van de stad Utrecht tijdens de partij Van Vloten-Van Oosterwijk Bruyn de volgende stand:

    diavlotoostEr volgde 1… h4-h3 2.Kb5-a6 Tb7-h7 3.Lh2-e5 h3-h2 4. b6-b7 en remise. Van Vloten ging er dan pas voor zitten: kun je zoiets nou echt niet winnen met zwart? En, zoals zo vaak, hij vond een winnende voortzetting, een studie gelijk. Zwart begint en wint.

    Het moet dan zo:
    1… Tb7-b8! 2.Kb5-c6 … Als zwart tot …Kb7 komt, is het verloren voor wit. Op 2.Ka6 … heeft zwart …Ta8 2… h4-h3 3.Lh2-g3 Tb8-b7 4.Lg3-h2 … Niet 4.Ld6 … wegens 4… Th7 en wit is in tempodwang (5.Lh2 Th6 en 6…. Kb7) 4… Tb7-e7! De enige winnende zet; op 4… Tf7 volgt Le5 en Tf6 is verhinderd, en op 4… Tg7 komt wit met Ld6 en zwart kan zijn toren niet met tempowinst naar de zesde rij brengen. Op 4… Th7 tenslotte verhindert Lf4 het schaak op h6. 5.Lh2-d6. Gedwongen. 5… Te7-g7! Alsnog is wit in tempodwang, zodat hij niet meer kan voorkomen dat de zwarte koning b7 bereikt.

Comments are closed.