• Esser en Leussen

    Posted on februari 26, 2016 by in 1800 - 1918

    In 1899 kwamen Esser en Leussen, twee studenten uit Leiden, naar Utrecht. Olland schrijft in het clubblad van SCU dat de belangrijkste reden was dat de Utrechtse competitie in die tijd onvergelijkbaar sterk was. Zowel Esser als Leussen hadden toen al naam gemaakt als veelbelovend schaker, en zouden die beloften ook deels inlossen. Esser als Nederlands kampioen, Leussen bijna Nederlands kampioen, beiden bekroond tot meester, beiden konden internationaal nog een beetje bijbenen. Beiden kozen overigens ook voor een maatschappelijke carrière.

    Esser en Leussen zijn, met enige onderbrekingen, jarenlang lid geweest van ‘Utrecht’. Al die tijd bleek Olland toch de sterkste en in vele gespeelde matches kon Esser eerst in 1910 een gelijkspel afdwingen. In 1913 won Esser voor het eerst.

    esserleussen

    Helemaal links zit Duras, en direct daarnaast zitten respectievelijk Esser en Leussen. Een foto uit het grootmeestertoernooi van Scheveningen 1905, waar Leussen verdienstelijk tweede werd achter Marshall, en Esser in de onderste helft eindigde. De overigen: Duras, staand achter Esser. En rechts van Leussen: Reggio, Shories, Meijer, Oskam, Loman, Marshall, Spielmann, Bleijkmans, Mrs. Marshall, Swiderski, Leonhardt, Trimhorn en Te Kolsté.

    Leiden1909

    Leiden 1909, het eerste officiïële Nederlandse kampioenschap. Van links naar rechts: Esser, Olland, Loman, Leussen en Speijer. Olland en Speijer hadden in dit dubbelrondige kampioenschap 5 uit 8, Leussen 4,5 uit 8, Esser 3 uit 8 en Loman 2,5 uit 8. Olland won de titel omdat Speijer zich na een ruzie terugtrok uit de bond.

    Esser en Leussen

    Erik Olof, aanvullingen Robert Beekman

    J.F.S. Esser

    J.F.S. Esser (1877-1946) is minder bekend dan Olland en Arnold van Foreest, maar toch in het begin van deze eeuw een van de sterkste schakers van Nederland. Kampioen van Nederland in 1913; hij versloeg toen Loman in een titelmatch met 3,5 – 0,5. Hieronder een partij waarmee hij kampioen werd. Door de loop van de jaren zou Esser, misschien wel door zijn vele matches met Olland, op tactisch vlak steeds alerter worden.

    Rudolf Loman – Johannes Esser
    NK 1913, 2e matchpartij
    [Commentaar van Robert Beekman]

    1.e4 e6 2.d4 d5 3.Pc3 Pf6 4.Lg5 Le7 5.exd5 Rond 1900 wist men nog niet zo goed raad met het Frans, waar 1.e4 e5 doorgaans de inleiding was van spectaculaire gambieten. Later zou Nimzowitsch de weg wijzen voor wit, misschien wel juist omdat hij met zwart zo n groot kenner van deze verdediging was. De afruilvariant van het Frans doet de harten van schakers niet bepaald sneller kloppen, maar het blijft wel oppassen geblazen. Het centrum is deels open, en de koning moet wel tijdig in veiligheid gebracht worden. Esser begrijpt dit beter dan Loman.
    5…exd5 6.Ld3 O-O 7.Dd2 Pc6 8.Pge2 Te8 9.a3? Pe4? De vorige zet was gericht tegen Pb4, maar wel tijdverlies. Zwart besluit het initiatief te nemen. Het idee is correct, de uitvoering kan beter. 9… Pxd4! 10.Pxd4 Pe4 had verrassend een belangrijke centrumpion gewonnen, zonder verlies van ontwikkelingsvoorsprong.
    10.Lxe7 Txe7 11.Pxe4 dxe4 12.Lc4 Le6 13.d5?! Maakt van c4 een slechte loper. Het was tijd voor wit om eens te zoeken naar een vorm van gelijk spel. 13.Lxe6 Txe6 en dan bijvoorbeeld lange rochade.
    13…Pe5 14.Lb3 14.dxe6 Dxd2 15.Kxd2 Pxc4 16.Kc3 Pd6 17.exf7 Txf7 18.Thf1 Tf8 doet de f-pion verloren gaan.
    14…Lg4 15.O-O-O Wellicht niet wat wit eerst in gedachten had, maar op de damevleugel staat de koning veiliger dan op de koningsvleugel. Na 15.0-0 volgt 15… Dd7 (dreigt Pf3) 16.Tfe1 (om Pf3 gxf3 Lxf3 Df4 te kunnen spelen) en zwart kan denken aan Lh3, h5 of andere vormen om de koningsaanval te versterken. Ook 15… Dd6 na 15.0-0 komt in aanmerking. De dame kan dan makkelijker naar de koningsvleugel switchen.
    15…Dd6 16.h3 Lh5 17.g4 Verzwakt het veld f3 en drijft de loper naar een beter veld, maar zwart staat hier al beter.
    17…Lg6 18.Pg3
    dialomanesser18…e3!
    Een verrassende zet! het is geen echt pionoffer, omdat zwart na zowel fxe3 als Dxe3 de pion met Pxg4 terugverovert. Maar zwart opent wel de lijnen naar de eigen koningsstelling, hoewel Esser goed taxeert dat wit hier niet van kan profiteren. Bovendien wordt de loperlijn van g6 geopend, krijg zwart een mooi veld op e4 en hoeft zwart zich minder zorgen te maken over loperverlies na h4-h5.
    19.fxe3 Pxg4 20.Pf1 20.hxg4 Dxg3 21.Tad1 Dxg4 en 23… De4 verliest een pion zonder compensatie. De loper op g6 dekt de eigen koning voldoende af, ook na een variant als 20.Pf5 Lxf5 21.hxg4 Lxg4 22.Tdg1 levert onvoldoende op.
    20…Pe5 Ook Pf6 met de blokkadezet Pe4 kwam in aanmerking.
    21.Pg3 Na 21.Kb1 kan bijvoorbeeld a5 volgen.
    21…Pd3+!? Een scherpe zet. Zwart ruilt een goed paard voor een slecht paard, hoewel de zwarte loper beter blijft dan de witte. Als wit echter de formatie d3-e4-d5 kan handhaven, wordt het weer een partij met gelijke kansen. Beter was daarom 21… Pc4. Na 22.Lxc4 Dxg3 23.Tde1 Tae8 24.Lb5 Td8 is de zwarte loper op g6 een stuk beter dan de witte op de damevleugel. Ook het positionele 21… Tae8, met als idee Pd7-c5, was beter: de zwakte van e3 en het veld e4 zijn concrete verworvenheden voor zwart.
    22.cxd3 Dxg3 23.Tde1? Na deze zet komt het zwarte plan goed tot zijn recht. Beter was zet 23.e4. 23… Lxe4 kan dan niet wegens ofwel The1 Tae8 La4, ofwel Thg1 Dxh3 Dg5. Hier hebben de beide heren zich vermoedelijk misrekend.
    23…Tae8 24.e4?! Deze zet verliest zomaar een pion. 24.La4 was aangewezen. 24… Td8 25.e4 c6 26.Lb3 (dxc6 Txd3) levert dan weinig op omdat 26… Lxe4 Thg1 niet kan (Dxh3 Dg5). Waarschijnlijk was Esser van plan te vervolgen met het geforceerde 24… c6 25.dxc6 Txe3 26.Txe3 Txe3 27.cxb7 Txd3 28.Te1 Dc7 29.Lc2 Td8. Deze lange variant levert zwart een dame-toren eindspel met een pion meer op, dat in technisch opzicht gewonnen moet zijn.
    24…Lxe4 25.La4 Lxh1 26.Txh1 Te1+

    0-1

    Na de eeuwwisseling speelden Esser en Leussen bij ‘Utrecht’, direct achter Olland. In een vriendschappelijke wedstrijd tegen DD, op 21 april 1901 in ‘De Poort van Kleef’ won Leussen van de staatsman Mr. S. van Houten en versloeg Esser J.J. van der Pot, terwijl Olland in het zand beet tegen Te Kolsté. De Hagenaars wonnen met 6 – 5, maar de revanche, 2 juni in Den Haag, werd 5,5 – 4,5 voor Utrecht. Olland nam wraak op Te Kolsté, Esser pakte Van Houten, maar Leussen moest het onderspit delven tegen Arnold van Foreest, die toen in Den Haag woonde.

    esserscheepartsCaracas1904In 1904 vertrok Esser voor drie maanden als scheepsarts naar Amerika, waar hij regelmatig simultaan speelde als zijn schip lag afgemeerd. In Caracas, Venezuela, maakte hij diepe indruk. Links een foto van hem op het schip. Als blijk van bewondering onderscheidde president Castro hem met de ‘Orde van het Borstbeeld van de Bevrijder van Venezuela’. Terug in Europa verslaat Esser warempel in Parijs (1910) Janowski met 2-1. Dat was verrassend, want Janowski had net Lasker in een match op gelijk spel gehouden. De publicist Schelfhout over Esser: ‘Een speciale studie van deze of gene opening maakte hij nooit! Zijn gespeelde partijen keek hij nooit meer aan. Trouwens, aan analyseren had hij steeds een broertje dood.’

    esseralapinJan Esser liet zich overigens ook op organisatorisch vlak niet onbetuigd. Hij heeft met studiegenoten in 1893 schaakclub Morphy opgericht. Links ziet u een foto van hem 1898 als voorzitter van de studenten- schaakclub Alapin. De tweede van links herkent u wel: wereldkampioen Emanuel Lasker. Rechts naast hem zit Esser. Verder is hij 17 jaar lang redacteur geweest van het Tijdschrift. Tevens kortstondig voorzitter van de Nederlandse Schaakbond in 1908/1909, en in 1910 oprichter van de Amsterdamse schaakclub Parkwijk.

    Geleidelijk aan zou Esser vanaf eind negentiende eeuw tot begin Eerste Wereldoorlog steeds sterker worden, met als hoogtepunt zijn Nederlands kampioenschap in 1913. En op dat hoogtepunt zei hij het schaken min of meer vaarwel.

    esserboekEsser was eerst huisarts, later chirurg, plastisch chirurg. Vroeger kwam de combinatie arts/schaker vaker voor dan tegenwoordig, lijkt het wel. Tarrasch en Zukertort waren arts, en in eigen land Dirk van Foreest, Olland, Pannekoek, Utrechts oud-voorzitter Polee, co-auteur Visser, ex-eerste-tientalspeler Van Schaik en dus ook Esser.

    Esser was echter de eerste plastische chirurg van Europa en heeft veel pionierend werk hierin verricht in de Eerste Wereldoorlog. Vondsten van hem op het gebied van de plastische chirurgie zijn herontdekt en worden tegenwoordig opnieuw toegepast. In de Eerste Wereldoorlog en ook daarna stortte zich op dit nieuwe werkterrein en van schaken kwam weinig meer.

    Essers ambities reikten verder dan een gewoon mens. In de twintiger en dertiger jaren poogde Esser een onafhankelijke vrijstaat op te richten dat slachtoffers van de oorlog uit alle landen zou kunnen behandelen. En dan praten we dus over echt een onafhankelijk land met eigen douane, eigen munteenheid, eigen postzegels, enzovoorts. Het leek een onmogelijk streven; welk land zou territorium hiervoor beschikbaar willen stellen? Maar ongelooflijk genoeg kwam hij hierin bijzonder ver. Hij kreeg veel internationale en beroemde medestanders (achttien nobelprijswinnaars ondertekenden zijn manifest) en sprak met regeringshoofden van menig land. Italië en Spanje stelden hem land ter beschikking, maar Esser eiste territoriale onafhankelijkheid. In Griekenland mocht Esser dan uiteindelijk met een torpedobootjager (wie zou zoiets voor elkaar kunnen krijgen?!?!) een eilandje uitzoeken. Hij koos voor Kyra Panaghia. Alles leek in kannen en kruiken. De Grieken stelden slechts als voorwaarde dat er twee Griekse agenten op het eiland aanwezig waren, maar zelfs dat was voor Esser te veel. Misschien was hij koppig, of eigenwijs; hemel en aarde wist hij echter wel met zijn enthousiasme en gedrevenheid te bewegen.

    esseoudNa de Tweede Wereldoorlog vertrok Esser naar Amerika. In het land van de onbegrensde mogelijkheden, zeker op het terrein van de plastische chirurgie, verloor hij een fortuin op de beurs en kon hij echter niet beschikken over zijn goederen en rijkdommen (vele villa’s en kunstschatten; hij was namelijk ook een financieel genie) in Europa. Geheel berooid stierf hij daar een roemloze dood. Links ziet u een foto van hem uit de tweede helft van zijn leven.

    Een onbekende kampioen, noemde Hans Ree hem in zijn boek Schitterend schaak, die Esser met een aantal publicaties uit de vergetelheid poogde te halen. Maar … ziedaar! In 2002 en 2003 verschijnen er zowaar nog twee biografieën over het leven van deze man. Meervoudige recensies verschenen er vervolgens over hem in diverse kranten, waarmee hij langs deze weg alsnog – posthuum – de erkenning krijgt die hij absoluut verdiende.

    B. Leussen

    leussenB. Leussen (1867-1924), links in beeld, boekte meer schaaksuccessen dan Esser. Na Van Lennep en Olland werd hij de derde Nederlander met een meestertitel. Hij dankte die aan zijn resultaat in Scheveningen, 1905, waar hij tweede werd achter Marshall, vóór mannen als Leonhardt, Duras, Spielmann en Swiderski.

    Leussen blijft echter niet lang actief als schaker; hij verliest de interesse in het spel. In het Tijdschrift van februari 1906 staat een geschreven portret van hem:

    “Wij willen den lezer een en ander mededeelen van een der jongeren Nederlandschen schaakspelers, Benjamin Leussen, wiens schaakloopbaan nog kort, doch zeer eervol is. Hij werd 30 april 1876 te Kampen geboren en bracht zijn jeugd grootendeels door op het buitenverblijf ‘Rustoord’ onder Diepenveen bij Deventer, alwaar hij de Lagere en Hoogere Burgerschool bezocht. Daarna in 1896, op 20-jarigen leeftijd, ging hij naar Leiden om aan de Hoogeschool zijn studiën voort te zetten en in dat jaar maakte hij kennis met het schaakspel. Eenige studiegenooten leerden hem de beginselen en uit het boekje van Dufresne putte hij zijn eerste theoretische kennis. Nog in hetzelfde jaar werd hij lid van het Leidsch Schaakgenootschap.

    Daar vond hij gelegenheid zich practisch te oefenen met de vele eveneens opkomende leden van de club: Esser, Strick van Linschoten, Steffelaar en Splinter en de ouderen waartoe onder meer Dr. Van Rhijn behoorde. De minder sterke spelers was hij in enkele maanden over het hoofd gegroeid.

    In zijn Leidsche studiejaren, interesseerde Leussen zich zeer sterk voor het spel. Haast op elken bondswedstrijd was hij tegenwoordig en speelde met steeds klimmend succes. In 1897 behaalde hij in Utrecht in de tweede klasse den eersten prijs, in 1898 te ‘s-Gravenhage evenzoo. In 1899 te Amsterdam in de eerste klasse den eersten, in 1900 te München in Hauptturnier B den troostprijs. In de Nederlandsche Hoofdklassewedstrijden kwam hij eerst uit te Haarlem in 1901, waar hij onmiddellijk onder Olland den tweeden prijs won.

    Toen volgden Hannover 1902, Hauptturnier A, gedeeld 4e/5e plaats, 1903 Hilversum derde, 1904 Leeuwarden tweede, en ten slotte promoveerde hij in 1905 in Scheveningen tot Meester van den Nederlandschen Schaakbond, door onder andere boven Leonhardt en Swiderski den tweeden prijs te bemachtigen.

    hannover1902

    Een foto uit Hannover 1902. Leussen is de derde van links, Esser zit er direct (rechts) naast. Op de foto ziet u alle Nederlandse deelnemers bij elkaar. Staand van links naar rechts: van Dam, Leussen, Bleijkmans. Zittend van links naar rechts: Olland, Esser, Loman.

    Keeren wij evenwel terug tot zijn verblijf in Leiden. Leussen studeerde daar in de medicijnen en totdat het eerste natuurkundig examen achter den rug was, ging alles goed. Toen openbaarde zich meer en meer een tegenzin in het gekozen vak en het is niet onwaarschijnlijk, dat dit tot de groote belangstelling tot het spel heeft bijgedragen. Leussen studeerde in die tijd meer schaak dan medicijnen.

    Meermalen werd in schakerskringen het vermoeden uitgesproken, dat hij zich geheel aan het spel zou wijden en het schrikbeeld van den schaakprofessional Leussen stond zijn vrienden wel eens voor den geest. Gelukkig is het zoover niet gekomen.

    In 1899 keerde hij terug van het pad der medicijnen om dat der taal en letteren in te slaan. Voor deze studie had hij meer natuurlijken aanleg en de vorderingen waren dan ook groter. Sindsdien werd er nog wel aan Caïssa geofferd, doch niet meer zooveel als in de voorafgaande jaren. In dit tweede tijdperk van zijn schaakontwikkeling vallen de matches te Utrecht met Olland en Esser, die hem voorzeker op den ladder naar het meesterschap aanmerkelijk hebben vooruitgebracht. Ook in zijn stijl is de invloed van Olland goed merkbaar. Hij speelt in hoofdzaak positiespel, dat wil zeggen tracht door het bijeenvoegen van kleine voordeeltjes en het voortdurend verbeteren van de stelling ten slotte de winst af te dwingen. Maar somtijds krijgt zijn combinatiekracht de leiding en speelt hij in geheel anderen trant. Vooral is dit het geval tegenover spelers, die ook de meer moderne richting van Tarrasch en Lasker zin toegedaan.

    Als Leussen zoo iemand met gelijke wapens tegenover zich heeft, gaat hij onbewust of met opzet de zijne met andere verwisselen en dit uit zijn element treden is dan ook de oorzaak van zijn mindere succes tegen enkele der Nederlandschen Hoofdklassespelers.

    Ook in het blindspel heeft hij zich geoefend. Hij kan gelijktijdig zes partijen spelen, doch vindt dit soort spel te vermoeiend om er behagen in te scheppen. Beter bevalt hem het simultaanspel, waarin hij meermalen staaltjes van groote bedrevenheid gaf.

    Sedert 1902, in welk jaar hij tot voortzetting van zijn studiën in talen en letteren naar Groningen verhuisde, heeft hij zich meer uit de schaakwereld teruggetrokken en duikt hij alleen in de vacanties als schaakspeler op. Dat daardoor zijn liefde voor het spel of speelsterkte niet verminderd zijn, bleek ten vorige jaren te Scheveningen. Met hart en ziel speelde hij zijn partijen en ook de vrije uren besteedde hij nog grootendeels aan het schaken. In de eerste dagen van den Scheveningschen wedstrijd was zijn succes overweldigend, een onafgebroken serie van 6 of 7 overwinningen. Toen kwamen er een paar verliespunten en de Bohemer Duras kreeg kans op het meesterschap.

    Iemand, wien het steeds voor den wind ging, is gevoeliger voor tegenslag dan hij die al meer met tegenspoed had te kampen. Daardoor was Leussen, na het verliezen van enkele partijen, nog al gedeprimeerd. Doch weldra herstelde hij zich en wist de Hollandsche schaakeer hoog te houden.

    Leussen is niet alleen als schaker, doch ook als mensch een te waarderen tegenstander. Hij blijft bij het spelen van wedstrijd- of matchpartijen bijna voortdurend bij het bord, wandelt tijdens de partij dus weinig. Eigenaardig is zijn opzien naar den tegenstander als deze een verrassenden zet heeft gedaan. Met groote oogen staart hij hem aan, alsof hij de varianten op zijn gelaat wil lezen en blikt vervolgens weer naar de stelling, de wenkbrauwen hoog opgetrokken.”

    Nadien nam Leussen nog deel aan het NK te Leiden. In deze vijfkamp eindigde Leussen achter Olland en Speijer, maar voor Esser en Loman. In 1912 tenslotte deed hij mee in de traditionele landenwedstrijd tegen Engeland en speelde daarin gelijk: 1-1.

    Leussen verhuisde in 1909 naar Den Bosch, waar hij leraar Duits aan het Stedelijk Gymnasium werd. In zijn vrije tijd gaf hij ook les in de Scandinavische talen. Hij overleed 18 april 1924 op 47-jarige leeftijd.

    Diep onder de indruk …

    Olland was diep onder de indruk van het spel van Leussen. Hij noemde diens spel ‘ernstig, wel overwogen, brillant. Roekeloze offers lagen niet op zijn weg. Zette hij een stuk en prise, dan betekende dat een sterke, niet zelden beslissende zet.’ In de onderlinge matchpartijen tussen Esser, Olland en Leussen, gespeeld te Schaakclub Utrecht, toonde de laatste zich meermalen de sterkste speler, hoewel Olland uiteindelijk toch de beste resultaten behaalde. Hieronder de dertiende matchpartij tussen Olland en Leussen te zien, gespeeld op 19 mei 1901.

    Benjamin Leussen – Georg Olland
    13e matchpartij te Utrecht, 05/19/1901
    [Commentaar van Benjamin Leussen.]1.e4 e5 2.f4 Lc5 3.Pf3 d6 4.c3 De7 5.Le2 Pc6 6.d4 exd4 7.cxd4
    dialeussenolland17…Lb4+
    De hiermede beoogde pionwinst is een te gewaagd experiment, Lb6 moest geschieden.
    8.Pc3 Dxe4? 9.O-O Lxc3 10.bxc3 Dg6 Ook op andere zetten behoudt zwart een zeer moeilijk spel.
    ...

    .

    .

    .

    dialeussenolland211.f5! Df6 Gedwongen! Op Lxf5 wint Ph4, op Dxf5 Pe5 en op Dh5 Pg5.
    12.Lg5 Dxf5 13.Ld3 Zeer sterk was ook 13.Pe5 Dxg5 14.Pxf7, daar zwart bij zijn slechte ontwikkeling geen gelegenheid heeft het afgesloten paard te winnen.
    13…Da5 14.De2+ Le6? Zeer in aanmerking kwam 14… Pge7 15.Lxe7 Pxe7 16.Tae1 Le6 17.c4 0-0-0 18.d5 Pxd5 19.cxd5 Lxd5 en zwart heeft vier pionnen voor een stuk.
    15.c4 Pxd4 Thans kon zwart weer vier pionnen krijgen voor een stuk. 15… Kd7 16.d5 Lxd5 17.cxd5 Dxd5 18.Le4, doch in dit geval zou hij aan den vijandelijken aanval te gronde gaan.
    16.Pxd4 Dxg5 17.Pxe6 fxe6 18.Dxe6+ Pe7 Op De7 wint Dh3.
    dialeussenolland319.Lf5! g6 Het voor de hand liggende 19.Td8 wordt met 20.Lh3 beantwoord, bijv. 20… Dg6 21.Dxe7 Kxe7 22.Tae1 De6 23.Txe6 en wint. Op 19… Tf8 volgt 20.Dd7 Kf7 21.Lxh7.
    20.Lh3 Dc5+ 21.Kh1 Dc6 22.Tae1

    1-0

     

    nederlandengeland1914

    Nederland – Engeland, april 1914. Derde van rechts bovenste rij is Leussen.

Comments are closed.