• Eduard Spanjaard

    Posted on februari 19, 2016 by in 1960 - 2016

    Eduard Spanjaard, voor Schaakclub Utrecht van onmisbare betekenis geweest. Toen hij als veertienjarige jeugdspeler in 1923 lid werd, had hij amper geld om de contributie te betalen. Hij hóéfde ook niet te betalen, en heeft zijn hele leven niet geweten wie de betaling van zijn contributie toentertijd voor zijn rekening genomen heeft (al heeft hij wel vermoed dat het Olland was). Hij is vervolgens zijn hele leven lid geweest van SCU gebleven en stierf in 1981 op de club achter het schaakbord. Tussendoor dertien keer clubkampioen geweest, twee keer een periode van zes jaar voorzitter geweest, waarnemend voorzitter, clubbladredacteur, meervoudig teamleider, organisator van vele clubevenementen, enzovoorts, enzovoorts. Naar het erelid Spanjaard is uiteindelijk een fonds opgericht dat zijn naam draagt: het Spanjaardfonds.
    Van 1930 tot 1960 speelde Spanjaard mee in vele internationale toernooien, vertegenwoordigde hij Nederland op de Olympiade, en kon men hem vele malen bewonderen op het Nederlands kampioenschap. Vanaf zijn debuut op zeventienjarige leeftijd heeft hij tot zijn dood onafgebroken Schaakclub Utrecht vertegenwoordigd in het eerste team, dat bijna altijd in de hoofdklasse speelde. Twee keer (1946 en 1971) heeft Spanjaard het Nederlands kampioenschap voor Schaakclub Utrecht binnen mogen halen!

    Hieronder een compilatie van artikelen over Spanjaard, de meeste uit het Herdenkingsnummer.

    t Spanjaardsgat

    Bert Kieboom en Maarten Etmans

    Uit het Utrechts Nieuwsblad van zaterdag 23 juni 1973.

    spanjaard1Uw schaakkroniek- schrijver, Mr. Ed. Spanjaard (links in beeld), is ziek. Hij moet waarschijnlijk een operatie ondergaan. Zeer tot zijn leedwezen laat hij zijn lezers enige weken in de steek. Hem vervangen is geen eenvoudige zaak, want Spanjaards uitstekend gedocumenteerde rubriek behoort tot de beste van Nederland. Verzorgd, geestig en met een extra, menselijke dimensie, doordat hij niet alleen het spel maar ook de schaker achter het bord beschrijft. Dat presteert hij naast een drukke dagtaak, met een delicate gezondheid, op een leeftijd dat velen het wat rustiger aan gaan doen.

    Het gat dat Spanjaard noodgedwongen in zijn publicistische activiteiten laat vallen, biedt ons de gelegenheid de man in het zonnetje te zetten die met zo’n onverflauwde ijver al tientallen jaren telkens weer het soms wel wat flegmatieke Utrechtse schaakleven opvijzelt. Recente voorbeelden: de denksportenmanifestatie in 1971 en de stedenwedstrijd tegen Hannover.

    Spanjaard is de veteraan in het eerste tiental van de Schaakclub Utrecht, waarvan hij dit jaar vijftig jaar lid is. Het afgelopen seizoen heeft hij met zijn tiental zojuist weer de hoofdklasse bevochten. Ondanks zijn 64 jaar is hij een geducht tegenstander; altijd volledig geconcentreerd, fel vechter, diep wanhopig als hij zijn tegenstander eens heeft laten glippen, waarbij hij zichzelf bij voorkeur een aftakeling toedicht die niemand ernstig neemt.

    Een voorbeeld van zijn vindingrijkheid gaf Spanjaard in 1961 in een toernooi te Veenendaal, toen hij tegen Donner met zwart de volgende, schijnbaar verloren stelling bereikte.

    donnerspanjaardToevallig zat er nog een grapje in, maar je moet Spanjaard heten om dat eruit te halen. Ieder seizoen haalt hij wel iets dergelijks uit.

    Er volgde: 1… Ta1-h1+! 2.Kh2xh1 Kf4-g3! Ondanks zijn materieel overwicht moet wit het opgeven. Hij loopt mat.

    Het hele leven van Spanjaard is verweven met de Schaakclub Utrecht, die hem in 1923 als veertienjarige jongen tot zijn, toen nog zeer deftige, gelederen met enige reserve toeliet. De club heeft er nooit spijt van gekregen, want Spanjaard ontwikkelde zich tot een sterk schaker, menigmaal clubkampioen, die in zijn beste jaren op het hoogste niveau de Nederlandse schaakeer verdedigde. Wat hem aan werkelijk groot schaaktalent ontbrak (dat slechts aan zeer weinigen is gegeven) compenseerde hij ruimschoots door ’n bijna weergaloze toewijding.

    Eduard Spanjaard (1909-1981), schaker

    Bert Kieboom

    Uit: Utrechtse biografieën (deel 2), levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Utrechters (Boom / Broese Kemink / SPOU, 1995), een project van de Gemeentelijke Archiefdienst Utrecht en de Vereniging Oud-Utrecht.

    Eduard Spanjaard werd op 3 januari 1909 in Utrecht geboren als zoon van David Spanjaard en Rosalie Lilly Weill. Zijn tweede vrouw (Spanjaard sprak liever niet over zijn eerste huwelijk; dat is in dit hoofdstuk dan ook buiten beschouwing gelaten) was Petronella Alida de Groot, met wie hij op 23 maart 1950 in het huwelijk trad. Het echtpaar had geen kinderen. Hij overleed op 7 mei 1981 in zijn geboortestad.

    Geza Maroczy zei ooit: “So möchte ich auch sterben, das ist der schönste Tod eines Schachmeisters.” Deze woorden lijken Eduard Spanjaard op het lijf geschreven. Zijn dood was karakteristiek. Eduard Spanjaard stierf tijdens een clubavond van zijn geliefde Schaakclub Utrecht op 72-jarige leeftijd achter het schaakbord, in gewonnen stelling, precies zoals hij altijd had gewenst. Toen zijn vrouw het droeve nieuws hoorde, was een van haar eerste vragen: “Hoe stond hij?”

    diaspanjaarddoodLinks de gewonnen stelling, met Spanjaard achter de zwarte stukken tegen Schenk. Naar verluidt heeft André Schenk nog aangevochten dat hij verloren stond, maar ik moet er eerlijk aan toevoegen, dat ik dat slechts van horen zeggen weet.

    Grootmeester Hans Ree schreef zes jaar eerder, in juli 1975, in de rubriek Hollands Dagboek van NRC/Handelsblad: “Mr. Ed. Spanjaard, advocaat te Utrecht, had in zijn goede tijd de volgende gewoonte. Aan het begin van de partij sprak hij tot zijn tegenstander: ‘Als je straks een sirene hoort brullen, moet je niet schrikken; dat is dan de ambulance, die mij komt halen. Ik ben namelijk doodziek, de dokter heeft me eigenlijk verboden te spelen en ik kan ieder moment voor het bord neerstorten.’ Vervolgens begon hij te schaken als een duivel, en behaalde listig menig puntje, vooral tegen Donner.” Twee keer evenwel ging het mis; eenmaal tijdens een competitiewedstrijd in Rotterdam, toen de Utrechter onwel werd, maar het nog goed afliep, en die tweede keer, toen met fatale afloop, op 7 mei 1981.

    diaollanddoodEerder was een ander groot Utrechts schaker in het harnas gestorven. Dr. A.G. Olland bezweek tijdens het kampioenschap van Nederland in 1933 aan een hartaanval, eveneens met een winnende positie op het bord, zie diagram links. Zwart heeft hier Prof. Mr. A.W. Hamming, die ook nog jaren lid is geweest van de Schaakclub Utrecht. Die partij werd overigens reglementair verloren verklaard voor Olland. Wij hebben het indertijd eleganter opgelost door zowel Schenk als Spanjaard een winstpunt te geven. Olland, de man die verscheidene malen kampioen van Nederland is geweest vóór de periode-Euwe, was van nationale betekenis. Spanjaard genoot vooral bekendheid als voorvechter van het schaakleven in stad en provincie Utrecht.

    Geboren en getogen in Utrecht, waar hij de HBS bezocht en rechten studeerde, kende Spanjaard in de oorlogsjaren een moeilijk begin van zijn carrière als advocaat. Al in zijn jeugd had hij een delicate gezondheid, waarvoor hij lange tijd kuurde in Zwitserland. Toch gold hij na enige tijd als een van de beste pleiters in Utrecht, vooral in het civielrecht. Hij werkte veel aan het rechtsherstel van bedrijven die tijdens de oorlog als gevolg van de bezetting verliezen hadden geleden. Advocaten waren duur en schakers meestal arm. Die laatsten verleende hij graag rechtsbijstand, ‘con amore’ en dikwijls ‘pro deo’. Samen met zijn tweede vrouw Petronella de Groot nam hij actief deel aan het culturele leven, vooral in de sector muziek. Hij was mede-oprichter van de Eduard van Beinumstichting, voorzitter van de Vrienden van het USO, het Utrechts Stedelijk (later Symfonie-) Orkest, en ook voorzitter van Engelenzang, sociëteit voor kunstenaars en kunstminnenden in de Domstad. Befaamd werden de klassieke huisconcerten bij de Spanjaards, waar onder meer het Orlando-kwartet proefdraaide alvorens met zijn gepassioneerde uitvoeringen van strijkkwartetten roem te verzamelen op een Scandinavische tournee. Daar was ook Euwe soms te gast, die wel van muziek hield, maar intussen ook vaak op zijn horloge zat te kijken om te zien of de rest van zijn programma er niet bij inschoot.

    Hoe veelzijdig hij ook was, bij generaties schakers genoot Spanjaard toch vooral bekendheid als sportvriend, die telkens het indommelende Utrechtse schaakleven nieuwe impulsen wist te geven. Als jongen van veertien jaar werd hij in 1923 lid van de deftige Schaakclub Utrecht, waar oudere heren hem en zijn schoolvriend Henk van Steenis, de latere voorzitter van de Koninklijke Nederlandse Schaakbond en oprichter van de politieke partij PSP, met gemengde gevoelens zagen komen. Tijdens een levendige discussie over de wenselijkheid van een juniorenafdeling merkte penningmeester H.J. Robijns sarcastisch op dat er dan voortaan wel met hobbelpaarden zou moeten worden gespeeld. Een en al hulpvaardigheid werd hij echter toen hij zag dat het de jongelui ernst was.

    Spanjaard ontwikkelde zich tot een van de sterkste spelers van de club, wat hij sindsdien steeds is gebleven. In zijn eerste competitiepartij voor het eerste tiental (9 november 1926 tegen J. Plukker van het Verenigd Amsterdams Schaakgenootschap) liet hij zijn koning winnend oprukken tot ver in de vijandelijke stelling. Die vechtlust is hem altijd eigen gebleven. Het grote werk begon in september 1928 met een clubkampioenschap (10 punten uit 13 partijen) boven Goud (9,5) en Olland (gedeeld derde), die de onderlinge partij verloor. Op eerbiedige afstand volgde de legendarische Jhr. A.E. van Foreest, de enige voor zover bekend, die het ooit voor elkaar heeft gekregen dat hij op hoge leeftijd zijn competitiepartijen mocht onderbreken om even een dutje te doen. Er zouden voor Spanjaard nog twaalf clubtitels volgen, de laatste in 1972, toen hij al in de zestig was.

    donnerspanjaardHet talent van grootmeester bezat hij niet. Dat is slechts voor weinigen weggelegd. Zijn tomeloze inzet en vindingrijkheid bezorgden hem niettemin kostelijke overwinningen, zoals in 1961 tijdens een toernooi in Veenendaal, waar hij, de ‘Schwindelaar’, in verloren stelling (zie diagram links) met een wonderbaarlijk torenoffer (… Th1) J.H. Donner in een matnet dreef. De grootmeester: “Ja, Eduard, zulke dingen gebeuren.”

    In zijn beste jaren verdedigde Spanjaard op het hoogste niveau de Nederlandse schaakeer. En dat niet alleen. Hij maakte deel uit van de spelregelcommissie van de schaakbond. Zijn vriend Hans Bouwmeester herinnert zich verder dat Spanjaard een schaakreis organiseerde naar Scandinavië. Onderweg regelde hij de schade na een auto-ongeluk, veroorzaakt door een Deense boer, en vervolgens zette hij het Kopenhaagse spitsverkeer totaal klem door een opzienbarende automanoeuvre. Op zijn onnavolgbaar geestige manier speechte hij in zijn beste Duits (de Utrechtse jurist voerde desnoods het woord in het Swahili) tegen een halfdronken Noorse voorzitter, die duidelijk niet begreep waarom de Nederlandse ploeg zo’n plezier had. Voor het Nederlandse team was hij zodoende veel meer dan zo maar een speler.

    Natuurlijk werd hij bij de Schaakclub Utrecht op een gegeven ogenblik voorzitter (1950-1954 en 1973-1978). Hij hielp talrijke evenementen op poten zetten, zoals het internationale PAM-toernooi van 1961, en in 1971 een merkwaardige manifestatie Utrecht – Parijs, met dammen, schaken, bridge en go, bij de eerste pogingen om in Utrecht tot een denksportenfederatie te komen. Dit initiatief leidde tot de stichting van een denksportcentrum, eerst in een oud parochiehuis aan de Kanaalstraat, later in het gloednieuwe pand ‘De Remise’ aan de Willem Dreeslaan, waar nu ook het bondsbureau van de bridgers is gevestigd. We schrijven 1995. Later is het denksportcentrum verhuisd naar de Kennedylaan 9.

    Daarop volgden een stedenwedstrijd tegen Hannover en in 1977 een simultaanseance van de verse wereldkampioen Anatoli Karpov tegen het eerste tiental van de Schaakclub Utrecht. Vele jaren verzorgde Spanjaard de schaakrubriek van het Utrechts Nieuwsblad en het Haarlems Dagblad, de laatste negen jaar vanuit de mooie, in de bossen gelegen bungalow in Bilthoven, waar hij zich na de drukke jaren aan de Biltstraat en de Maliebaan had teruggetrokken. Al heeft hij veel gereisd, ver van Utrecht heeft hij niet willen wonen.

    Zijn uitstekend gedocumenteerde schaakrubrieken behoorden tot de beste van Nederland. Verzorgd, geestig en met een extra menselijke dimensie, doordat hij niet alleen het spel, maar ook de schaker achter het bord beschreef. Het laatste artikel, dat na zijn dood verscheen, was een huldebetoon aan de 80-jarige dr. Max Euwe. In dezelfde krant, van 16 mei 1981, stond een ‘in memoriam’ voor Ed. Spanjaard door Euwe, die op 26 november van hetzelfde jaar zou overlijden. Spanjaards verdiensten voor het schaakleven werden in 1974, toen hij 50 jaar lid was, beloond met een erelidmaatschap van zijn Schaakclub Utrecht.

    In memoriam, 16 mei 1981

    Max Euwe

    Een bijzonder en veelzijdig mens is van ons heengegaan. Veelzijdig in de goede zin van het woord: geen oppervlakkige, maar diepe belangstelling voor vele facetten van onze cultuur en samenleving.

    Muziek, advocatuur, organisatie en schaken. Vooral schaken, hij was schaker in hart en nieren, de ware amateur. Hij hield echt van het schaken, niet in de eerste plaats om de resultaten, ofschoon hij een bekwaam schaker was en vele malen Nederland in internationale ontmoetingen heeft vertegenwoordigd. Met de jaren ging zijn speelsterkte wat achteruit, maar hij liet het schaken niet los en bleef spelen in het eerste tiental van de Schaakclub Utrecht, van welke vereniging hij vele jaren het voorzitterschap bekleedde en nadien erevoorzitter werd. Zijn lidmaatschap dateert reeds van 1917, een ongekend blijk van trouw en toewijding.

    pameuwespanjaard

    Op de foto boven rechts Eduard Spanjaard, links Max Euwe.

    Spanjaard was ook voorzitter van de Vrienden van het USO, het Utrechts Symfonie Orkest. In deze functie organiseerde hij onder meer de jaarlijkse feestelijke bijeenkomsten. Ook overigens lag de muziek hem na aan het hart, getuigde de vele ‘parties’ te zijnen huize, waar schakers van verschillende pluimage bijeenkwamen om muziek te maken of naar muziek te luisteren. Mij is steeds bijgebleven de geestige wijze waarop hij de verschillende nummers placht aan te kondigen, gepeperd met woordspelingen en vaak gerelateerd aan recente gebeurtenissen. Spanjaard had een fantastisch groot gevoel voor humor. Dat er op zo’n avond ook geschaakt werd, sprak vanzelf en evenzo dat men niet voor de kleine uurtjes uiteenging.

    Spanjaard verzorgde de schaakrubriek van enkele bladen met alle liefde en toewijding die in hem was. Uiteraard kwamen daarbij zijn grootste kwaliteiten weer tot uitdrukking: veelzijdigheid en zorgvuldigheid bij de samenstelling. Veel schakers die niet op zijn dagbladen waren geabonneerd, kochten de krant speciaal voor de schaakrubriek.

    pamspanjaard

    Spanjaard, boven het PAM-toernooi van 1961 openend, was een voortreffelijke pleiter en zijn cliënten profiteerden evenzo van zijn deskundigheid en toewijding als alle anderen die in enige relatie met hem stonden. Wie onder moeilijke omstandigheden een beroep op hem deed, kon er zeker van zijn dat zijn juridische belangen gratis door Spanjaard werden behartigd. Hij was een goed en mild mens, die ook, waar nodig, financiële bijstand verleende.

    Spanjaard reisde graag en hij heeft veel van de wereld gezien. Vaak ook ver van huis kon hij het schaken niet vergeten. Indien mogelijk organiseerde hij in den vreemde een klein toernooi, waarbij hij vaak vrienden betrok, die toevallig in de buurt waren.

    Toen Spanjaard de advocatuur vaarwel had gezegd, trad het schaken nog meer op de voorgrond. Hij was een geregeld bezoeker van zijn club Utrecht. Hij nam onder meer deel aan de onderlinge competitie en het was gedurende de eerste clubavond in mei dat zijn hart het begaf.

    Zijn gezondheidstoestand liet het laatste decennium zeer te wensen over, maar door psychische kracht bleef hij overeind en voor ons behouden. Hij zal trouwens voor velen steeds behouden blijven. Zijn leven en werken zijn van dien aard geweest dat wij zijn nagedachtenis blijvend zullen eren. “Geen bloemen, geen toespraken”, staat in de aankondiging van zijn overlijden. Dit laatste interpreteer ik in deze zin dat Spanjaard zelf de toespraak het best zou kunnen houden. Wat zijn goede vrienden voor hem hebben gevoeld, is toch niet in woorden uit te drukken.

    Naschrift Bert Kieboom: Alleen mevrouw Spanjaard heeft gesproken bij de uitvaartplechtigheid en dat deed zij zeker niet slechter dan haar man zelf zou hebben gedaan.

    De ommekeer

    Bert Kieboom

    Eduard Spanjaard had ruzie gekregen met een clubgenoot. Drie avonden spraken ze geen woord met elkaar. Op de vierde clubavond schoot Eduard hem toch nog maar eens aan. “Kun je niet zeggen: goedenavond?” De clubgenoot wond er geen doekjes om: “Maar ik vind jou een klootzak.” Spanjaards repliek: “Maar kun je dan niet zeggen: goedenavond, klootzak?”

    Het schaak der wrake

    In het clubblad van de schaakclub ‘Utrecht’ van januari 1979 werd aandacht geschonken aan een boek van Bouwmeester, Jongsma en v.d. Herik. Uit dit boek de volgende passage:

    Miguel Najdorf. Een van die figuren waarover allerlei schandalige boeken geschreven zouden kunnen worden. Zijn brede armgebanen, zijn alles doordringende gelach en geklaag vertederen en irriteren tegelijk. In Wijk aan Zee 1978 deed hij mee. Meer nog dan zijn lang niet uitgebluste spel (natuurtalenten blijven altijd goed, ook al zijn ze 80) trok zijn gedrag in de toernooizaal de aandacht. Hij is nieuwsgierig en niet bescheiden van aard.

    Het is bekend, dat schakers nogal eens wandelen als ze niet aan zet zijn. In Wijk aan Zee moesten de grootmeesters daar wat voorzichtig mee zijn, want de kans dat Najdorf je plaats had ingenomen tijdens je korte wandeling was bepaald groot. En dan ging het er nog maar om, of hij weer op wilde staan als je zelf wilde gaan zitten, omdat je tegenstander bijvoorbeeld zijn zet had gedaan en je klok dus liep. 0ók schoof Najdorf maar wat graag een stoel bij, naast de aan zet zijnde speler, om alles – zwaar ademend – nog eens extra goed te bekijken.

    Ook de Nederlandse schaker Mr. Ed. Spanjaard heeft deze gewoonte. Ook hij is de 65 gepasseerd, en bovendien lijkt hij enigszins op Najdorf. Nooit zal ik het gezicht vergeten van Kortsjnoi, toen deze in zijn Hoogovenpartij tegen Portisch in de kritieke fase aan zijn linkerkant Mr. Eduard langzaam op zag rukken, de neus al bijna boven het bord, en aan zijn rechterzijde Don Miguel, eveneens gespannen vooroverleunend op de meegenomen stoel en met grote toewijding de stelling bestuderend.

    Sosonko was de enige deelnemer die daar goed raad mee wist. Als een van beide heren (en dat was dan bijna steeds Najdorf) te dicht in zijn buurt kwam, spreidde hij zijn armen met enige kracht, daarbij niet al te kieskeurig omtrent de mogelijkheid dat hij iets of iemand zou raken.

    Mr. Spanjaard werd 70 jaar

    Lex Jongsma

    Uit Kostgangers van Caïssa.

    Mr. Spanjaard werd 70 jaar. In net zo diep geheim als de samenstelster van dit liber amicorum heeft betracht, organiseerde Hans Bouwmeester een muziekmiddag, ter ere van zijn goede oude vriend Eduard. Met grote schakers als Lucas Bunge, cellist en zanger Tabe Bas (bariton) en Henk Losscher (een voortvarend pianist) op het podium en uiteraard ook Hans zelf, ook op piano.

    In het publiek veel leden van de schaakclub Utrecht (waar Eduard vanaf de twintiger jaren lid was en Hans met tussenpozen) en aanhangend schaakgespuis.

    Wat Hans die middag op een niet al te goede, niet al te goed gestemde piano presteerde, was méér dan een muzikale krachttoer. Het was een vriendendienst van allure. De grote jurist zelve, Mr. Eduard, vatte het in zijn dankwoord geestig en karakteristiek samen:

    “Hannes, jongen, ze zeggen weleens wat van je. Maar ik zeg jullie, Hans Bouwmeester heeft het hart op de rechte plaats. Alleen… hij kan het niet verkopen (korte pauze, driftige, snelle rukbeweging met het hoofd. Dan…) En bij mij is dat precies andersom!”

    Een Spanjaard voor wie Titus boog

    Bert Kieboom

    Aan de wand van mijn werkkamer prijkt een ansichtkaart, met daarop afgebeeld de Titusboog (Arco di Tito, Arc of Titus, Arc de Titus, Titusbogen) in Rome. Ik ontving hem eind april 1976 van Eduard Spanjaard, geadresseerd Signore A.S. Titus (ik weet nog steeds niet wat die A.S. betekenen).

    Hij vertelde hoe hem en zijn vrouw de tips bekomen waren over wandelingen en eethuisjes, die ik hem had gegeven; want eerder was ik, vergezeld van de op dit punt àl-wetende Onkel, in de gelegenheid geweest het Romeinse imperium uitgebreid te verkennen. “Morgen hebben we fraaie plaatsen voor de mis op ’t Pietersplein”, schreef de Caïssa-vrezende jurist, deze vrome mededeling dadelijk ontkrachtend met de ontheiligende opmerking: “Dé miss vond ik nog niet!”

    diaspanjaarddoodWaarom dit alles vermeld? Bovenaan de ansicht stond tussen haakjes (Th7 – Db1+), teken dat de maestro zelfs in het zonnige, historisch zo rijke Rome het leed niet vergeten kon dat ik hem aan het begin van het seizoen 1975/’76 had aangedaan in de clubcompetitie. In de stelling links, voor mij totaal verloren, speelde hij, de witte stukken aanvoerend, Tg7-h7??

    Ondanks de tijdnood zag ik dat Db2-b1+ geen onaardige weerlegging van de matdreiging op g7 was, en zo won ik, de goede Eduard in doffe, maar komische wanhoop achterlatend.

    .

    Na dertig jaar clublidmaatschap werd ik in januari 1981 verrast met een uitvoerig artikel over mijn persoontje in het clubblad, van de hand van Mr. Ed. Spanjaard. Een “Helden- of Heiligenleben”. Het genante, maar toch ijdelheid strelende soort, dat nog net te verdragen was, omdat zijn sympathie in zijn loftuitingen doorstraalde.

    Op de eerstvolgende clubavond schoot ik hem aan: “Een mooi stuk, Eduard, je mag mijn ‘in memoriam’ schrijven.” Onmiddellijk het antwoord: “Goed, dat zal ik met genoegen doen.”

    Een paar maanden later zat ik zijn ‘in memoriam’ te schrijven.

    Een van de meest bijzondere mensen

    Hans Bouwmeester

    Eduard Spanjaard is een van de meest bijzondere mensen die ik in mijn leven leerde kennen.

    Het is alweer enige maanden geleden dat hij zo plotseling van ons heenging; maar de tijd, die – zoals men zegt – alle wonden heelt, is voor mij nog te kort geweest om met zijn dood verzoend te raken. Moeilijk kan ik wennen aan de gedachte dat hij er niet meer is, dat hij mij niet meer vraagt naar de nieuwste varianten van het Siciliaans, mij niet meer kritisch onderhoudt over mijn pianospel, en, vooral, mij niet meer verkwikken kan door zijn verrukkelijke humor. Wie kon een ‘witz’ een woordspeling of een grappig verhaal beter brengen dan hij?

    Voor mij was Eduard altijd de verpersoonlijking van de gezonde psyche. Zijn lichaam was op meerdere fronten kwetsbaar; hij moest zich ontzien waar het spijs en drank betrof en behoedzaam met zijn krachten omgaan. Maar het was alsof juist de matiging die hem geboden was, hem des te meer deed genieten van de goede en schone dingen des levens.

    Eduard klaagde zelden of nooit; hij kon veel en deed veel op allerlei gebied.

    Vele decennia was hij de ziel van zijn schaakclub. Als schaker was hij een voortreffelijk amateur, die op zijn beste momenten meesters en grootmeesters goed partij kon geven. Zijn oplettendheid en slagvaardigheid waren terecht gevreesd. In het Nederlands team was hij meer dan alleen speler. Eduard slaagde erin een ieder vrolijk te houden, ook als het eens tegen zat.

    De door hem georganiseerde schaakreis naar Scandinavië beschouw ik als een hoogtepunt in mijn schaakloopbaan. Als ik even mijn herinneringen daarover de vrije loop laat, zie ik hem nog in mateloze opwinding over een verkeerde zet. Ik zie hem zakelijk en koel organiseren na een stom auto-ongeluk, veroorzaakt door een Deense boer, dat gelukkig goed afliep. Ik zie hem het Kopenhaagse spitsverkeer totaal klemzetten door een opzienbarende auto-manoeuvre. Ik zie en hoor hem nog speechen in zijn fraaiste Duits tegen een halfdronken Noorse voorzitter, die duidelijk niet begreep waar wij zo’n plezier over hadden.

    Eduard was van vele markten thuis. De advocatuur, het verzekeringswezen, de schaakjournalistiek, de muziek, de literatuur, het theater, vreemde landen en mensen – dit alles had zijn warme belangstelling, en het is hem vergund geweest er tot op het laatste moment intensief bij betrokken te zijn.

    Zonder kinderachtig te zijn was Eduard kind met kinderen. Mijn zonen waren dol op hem en voor zijn kleinkinderen was hij een soms ontroerende grootvader.

    Herinneringen aan Eduard vormen een lange film, vol afwisselende beelden. Ik heb ruzie met hem gemaakt – bijna altijd over niets – en veel gelachen; op het schaakbord op leven en dood met hem gespeeld en ook, onder zijn aanhoudend commentaar, honderden vluggertjes met hem afgewerkt; samen met hem muziek gemaakt en muziek beluisterd. Zijn gastvrij huis was soms een oase van rust, soms een bijenkorf vol sprankelend levensplezier. Wie iets te bieden had, was welkom. Eduard dronk de nectar gretig in, maar wist ook te geven.

    Advocaten zijn duur en schakers in het algemeen arm. Een schaker in nood kwam onvermijdelijk bij Eduard terecht en ‘con amore’ deed Mr. Ed. wat hij kon.

    Hij wist van uitdelen en incasseren. De vonken mochten eraf spatten, Eduard verloor nooit zijn goede humeur en werd nooit vervelend.

    Kwaliteit en prestatie waren bij hem in aanzien. Nivellering vond hij een vies woord.

    In vele kringen laat Eduard Spanjaard een leegte achter. Het is een sjablone, maar de waarheid is zelden zo evident als in het onderhavige geval. Zijn vele vrienden missen hem en ongetwijfeld zullen hun gedachten nog wel eens teruggaan naar de onvergetelijke momenten die ze met hem hebben beleefd. Ik heb Eduard ruim 33 jaar gekend en van zeer nabij mee gemaakt. Zijn vriendschap heb ik beschouwd als een der vele geschenken die mij door de hemel zijn toebedeeld.

    Hij moge rusten in vrede.

    Bijna 30 jaar vriendschap

    Lucas Bunge

    Ik leerde Ed in 1952 kennen onder omstandigheden die voor hem typerend waren. In Den Haag woonde ik op kamers bij een charmant ver familielid van hem, en bij een van zijn bezoeken aan haar hoorde hij mij cello studeren. Hij was nieuwsgierig wie die geluiden produceerde en meteen strikte hij me voor een huisconcertje in de Utrechtse ‘Engelenzang, Sociëteit voor kunstenaars en kunstminnenden’, waarvan hij lang voorzitter was en waarvan mijn vrouw en ik ook lid werden toen wij, jaren later, naar Utrecht verhuisden.

    De muziekavonden werden vrijwel altijd in het gastvrije huis van de Spanjaards, eerst aan de Biltstraat, later aan de Maliebaan en ten slotte in Bilthoven gehouden. Het was altijd een feest te spelen voor deze gastheer met zijn kritisch, goed geschoold oor en warm gevoel voor muziek. Hij kon zo trots zijn op ‘zijn’ musici en luisterende gasten, en zijn geestige inleidingen en bedankjes hadden vaak meer inhoud dan het hele muzikale discours.

    Maar ook mocht ik als huisschaker wel eens een enkele keer de stukken tegen hem opzetten. Ach, met zijn pink schoof hij me van het bord; maar in ’76 haalde hij me over lid te worden van onze schaakclub. In de afgelopen jaren volgde hij mijn povere verrichtingen met aandacht en vaak trok hij op zondagmiddag een uurtje uit om me met een afgebroken partij te helpen. Ik stond keer op keer verbaasd over de hardnekkigheid en de systematiek waarmee hij steeds weer nieuwe mogelijkheden ontdekte in schijnbaar eenvoudige stellingen. Niets nam hij ‘for granted’, alles moest worden onderzocht.

    En het was altijd gezellig hem de laatste winterseizoenen na de clubavond naar huis te rijden en dan zijn opgewonden schaakklok te horen aflopen – vol was hij van de meestal afgebroken partij, van de ‘klootzak’ die hij was geweest of van het gezwendel waarmee hij toch weer het volle punt had gepakt.

    Maar als een echte advocaat – in die kwaliteit mocht ik ook wel eens van zijn gaven profiteren – kon hij ook goed luisteren; en hij bezat nòg een eminente karaktereigenschap, waarmee hij in het hiernamaals hoog op de ladder zal komen: nooit heb ik hem in al die jaren over mede-mensen, ja, zelfs niet over mede-schakers (toch nog een veel erger ras) een onaardige opmerking horen maken.

    Eens per jaar, in de zomer, mocht ik altijd een ‘echte’ partij tegen hem spelen om hem voor het nieuwe seizoen wat ‘op te warmen’.

    In ’77 hield ik het bijna tachtig zetten tegen hem uit. Trots als een pauw keerde ik na afloop huiswaarts; weer een nul rijker, maar voor één keer was ik een echte schaker geweest, die toch vele uren weerstand had kunnen bieden aan Eduards ongelofelijke vasthoudendheid, aan zijn artistieke fantasie en aan zijn fijn stellinggevoel – drie kenmerken die ook buiten het schaakbord zijn briljante persoonlijkheid bepaalden.

    Op het laatste moment toch niet …

    Maarten Etmans

    In de 18 jaar dat ik bij de schaakclub Utrecht meedraai, heb ik niet eens zo vreselijk veel tegen Eduard gespeeld: ongeveer twintig partijen. We hadden het altijd moeilijk tegen elkaar: slechte, maar zeer spannende partijen, meestal eindigend in een overwinning voor de witspeler. Ik was altijd wat bang voor Eduard, en hij deed alsof hij ook bang voor mij was.

    Verreweg de boeiendste partij die wij tegen elkaar speelden, was de allerlaatste; in maart 1981 gespeeld en in april uitgespeeld. Spanjaard toont in deze partij zijn meest karakteristieke spel. Na wat gelaveer komt wit plotseling tot aanval. Spanjaard verdedigt actief en grijpt steeds zijn kans. Als de witte aanval niet doorslaat, krijgt hij voordeel. Tijdnood, afbreken in een onduidelijke stelling. Spanjaard in zijn element: wekenlang uitpluizen met hulp van opgetrommelde “secondanten”. Dezelfde inzet waar mee hij al zijn partijen speelde.

    diaetmaspanNa de hervatting koerst Eduard volgens analyse op de winst af, maar durft op het allerlaatst plotseling niet door te tasten; dat heb ik de laatste paar jaar vaker van hem gezien. In de linkerdiagram speelde Spanjaard (met zwart) 45… Ld2-c3! overzien! Op 46.Pxf7 Lxf7 47.Txf7 volgt Tg8! 46.Lg2-e4 d5xe4? Hier kon zwart met 46… Th2 47.Kxh2 Lxe5 een vrijwel gewonnen stelling bereiken. 47.Tg7-g5! en eeuwig schaak (of Kf8 Th5). Als het paard op e5 al geslagen is, kan de zwarte koning ontsnappen via g6. Toch nog remise. Daarna de urenlange analyse, nooit wist hij van ophouden.

    .
    .

    Maarten Etmans – Eduard Spanjaard
    Interne Schaakclub Utrecht, maart 1981

    1.e4 c5 2.b3 Pc6 3.Lb2 d6 4.Lb5 Ld7 5.Pf3 e6 6.O-O Pf6 7.Te1 Le7 8.d4 cxd4 9.Pxd4 O-O 10.a4 Dc7 11.Pc3 Tfd8 12.Lf1 a6 13.g3 Lf8 14.Lg2 Tac8 15.Pde2 Pb4 16.Pf4 Lc6 Zwart is nu klaar voor d6-d5; het volgende antwoord maakt dat deze thematische stoot niet zonder risico’s is.
    17.Pa2 Pxa2 18.Txa2 Da5 19.Pd3 d5 20.Lxf6 gxf6 21.Dg4+ Kh8 22.Dh5 Dc7 23.e5 Lg7 24.f4 Le8 25.Dh4
    diaetmaspan125…Dc3! 26.f5 fxe5
    26…exf5 27.e6
    27.f6 Lf8 28.Txe5 Dd2 29.Th5 h6 Een uiterst onduidelijke stelling; wit moet proberen de h-lijn op te blazen via g4-g5. lukt dat niet, dan is hij nergens meer, omdat zijn stukken ongelukkig over de randen verspreid zijn. Spanjaard zag dat in, en vermeed hier een mogelijke remise door Lc5 Pxc5 Dd1 Kf2 Dd2.
    30.h3 Wit wil ook winnen en maakt een gaatje voor de koning alvorens g4 te spelen.
    30…Kh7 31.g4 De3+ 32.Kh1 Dd4 g5 is van de baan, zwart komt aan het woord. De volgende acht zetten moesten door ons beiden a tempo gespeeld worden.
    33.Pe1 Tc3 34.Ta1 Tdc8 35.Tb1 Df4 36.g5 Dxh4 37.Txh4 Kg6 38.gxh6 Lxh6 39.Pd3 Lg5 40.Tg4 Kh6 Afgebroken.
    41.Tf1 De afgegeven zet. Een tijdlang heb ik gedacht dat ik geweldige aanvalskansen had, maar de zwarte stelling is zo elastisch, dat wit in werkelijkheid zelfs in grote moeilijkheden is.
    41…Txc2 42.h4 Ld2 43.Tg8 Kh7 44.Tg7+ Kh8 45.Pe5
    diaetmaspan45…Lc3!
    Overzien! Op 46.Pxf7 Lxf7 47.Txf7 volgt Tg8!
    46.Le4 dxe4 Hier kon zwart met 46… Th2 Kxh2 Lxe5 een vrijwel gewonnen stelling bereiken.
    47.Tg5! Ld4 48.Th5+ Kg8 49.Tg5+ Kh8 50.Th5+ Kg8 51.Tg5+ Kh8

    1/2-1/2

    .

    .

    .

    Scherzo

    Theo Olof

    Een rubriek in De Telegraaf, 12 juni 1981

    Wonderlijk, zo’n opeenvolging van gebeurtenissen die ogenschijnlijk geen verband houden met elkaar. Of toch? Daar was de kennismaking met Tim Krabbé, sportjournalist, schrijver, schaker, wielrenner, met zo’n 500 wedstrijden achter zijn pedalen. Tim wordt onze bovenbuur. Met Linde. We kregen drie van zijn boeken: een verhalenbundel “De Stad in het Midden”, “De Renner” en “Nieuwe Schaakkuriosa”.

    Nauwelijks had ik in “Schaakkuriosa” gebladerd, of mij bereikte het overlijdensbericht van Eduard Spanjaard, mede-oprichter van dé Eduard van Beinum Stichting, groot muziekliefhebber en schaakmeester. Vorig jaar nog nam hij met zijn echtgenote deel aan een door mij begeleide muziekreis naar Hongarije. Even opvallend als zijn gigantisch dikke brillenglazen was zijn onverzadigbare belangstelling voor de meest uiteenlopende onderwerpen. En we hebben wat afgelachen.

    “Met schaken verlies ik vaak van je zoon Erik; waarom is me duister, want ik ben beter,” vertelde hij me. Mr. Spanjaard overleed aan het schaakbord. In gewonnen stelling. Hij ging heen als een overwinnaar.

    De enige partij

    Jan van Raalten

    Slechts éénmaal heb ik de kans gehad tegen Eduard Spanjaard te spelen. Dat was op 13 maart 1975. Nog tot kort voor zijn overlijden kon hij zich vrijwel alles van deze partij herinneren. Een “gemeen” torenoffer op f7, een sterke loperzet op f4, waarna hij “hartstikke verloren stond”. Uiteindelijk werd het, mede door wederzijdse tijdnood, remise.

    J. van Raalten – Eduard Spanjaard
    Interne Schaakclub Utrecht, 13 maart 1975

    1.e4 c5 2.Pf3 e6 3.d4 cxd4 4.Pxd4 Pc6 5.Lb5 “Wat is dat, Jan?” “Dat is nieuw!”
    5…Db6 6.Lxc6 bxc6 7.Pc3 La6 8.Pde2 Pf6 9.O-O Le7 10.Le3 Dxb2 Toch! Keres heeft wel eens iets gezegd over het inslaan met de dame op b2 en b7.
    11.Tb1 Da3 12.Te1 Lxe2 13.Pxe2 Pxe4
    diaraalspan1Zwart staat nu twee gezonde pionnen voor.
    14.Tb7 d5 15.Pd4 Dd6 16.Dg4 Lf6 Krijgt geen kans meer om te rocheren.
    17.Lf4 Dc5 e5 faalt op Pf5

    .

    .

    .

    .

    .

    diaraalspan218.Txf7 Kxf7 19.Dxe6+ Kf8 20.Txe4 dxe4 21.Ld6+ Dxd6 22.Dxd6+ Kf7 23.De6+ Kf8 24.Dxc6 Te8 25.Pf5 Le5 26.Dd7 g6 27.Ph6 Te7 28.Dd8+ Te8 29.Dd5 Kg7 30.Pf7 Tb8 Voor de volgende tien zetten hadden we ieder nog 3 minuten.
    31.Dxe5+ Kxf7 32.g3 The8 Eindelijk komt de h-toren vrij.
    33.Dd5+ Te6 34.c4 Tb1+ 35.Kg2 Tb2 36.Dd7+ En na het passeren van de tijdcontrole, met de nodige schaakjes, werd op de 43e zet tot remise besloten.

    1/2-1/2

    .

    De schakertjes zijn er geen heren

    Bert Kieboom

    Het zal in 1981 zijn geweest, niet zo lang voor de dood achter het schaakbord van mr. Ed. Spanjaard. Onze man, 72 jaar oud, stond niet meer ‘in de basis’ voor de externe competitie, maar had zich voor een belangrijke westrijd laten opstellen aan het eerste bord van het derde.

    Tegenover hem nam een slungelig jongmens plaats, dat – in plaats van vereerd te zijn om tegen iemand met zo’n staat van dienst te mogen spelen – zich tijdens de partij al spoedig begon te misdragen. Hij kwam slecht te staan en liet, terwijl hij aan zet was, zijn bord in de steek om zelf ergens anders rond te hangen. Daarna deed hij vlug een paar (slechte) zetjes en verdween weer een half uur naar de bar.

    Spanjaard schaakte schijnbaar onverstoord verder en bleef steeds achter het door zijn tegenstander verlaten bord zitten. Hij zal zich echter hebben opgevreten, want het schaakspel was hem altijd heilig. Op het laatst had het knulletje nog maar een paar minuten over en raffelde het slot van de part af, totdat Spanjaard hem mat zette.

    De jongen stak een hand uit en mompelde: “Ik geef het op.” Spanjaard rees op, negeerde het slappe handje, keek de slungel vernietigend aan en sprak: “Mijnheer, u kúnt het niet opgeven. U staat mat!”

    Mr. Ed. Spanjaard, schaker en pleiter op meesterniveau

    Paul Denekamp en Hans Schogt

    Uit: Mishpagazette, zomer 2010

    Met dank aan Ed Spanjaard jr. en Robert Bausch, de weduwnaar van Victorien Spanjaard

    spanjaard3Eduard (Ed) Spanjaard wordt op 3 januari 1909 in Utrecht geboren als zoon van Dé Spanjaard en Lilly Weill. Hij heeft een vier jaar jongere broer Jaap, wiens zoon Ed, de dirigent, naar hem is vernoemd. Ze worden niet-joods opgevoed. In de Domstad groeit hij op, bezoekt er de hbs, studeert er rechten en woont en werkt er het grootste deel van zijn leven.

    Zijn hele leven is verweven met Schaakclub Utrecht en hij geniet vooral bekendheid als voorvechter van het schaakleven in Utrecht, zowel stad als provincie.

    Als kind al heeft hij een slechte gezondheid en hij heeft lange tijd in Zwitserland moeten kuren. Van die slechte gezondheid heeft hij zijn hele leven last gehad en dat heeft hem ook getekend.

    Calmeijeren

    Vlak voor de Tweede Wereldoorlog, in augustus 1939, trouwt Ed met Milly Marczak. Tijdens de bezetting profiteert hij ervan dat haar joodse afkomst niet te bewijzen is, omdat haar ouders uit de Oekraïne komen. Hij is daardoor ‘gemengd gehuwd’ en hoeft niet direct te vrezen voor deportatie. Maar de beperkingen die hij in zijn dagelijks leven ondervindt van het jood zijn, zijn zo groot dat hij besluit zich samen met Jaap te laten ‘Calmeijeren’ om zo van een jood een

    halfjood te worden. De Duitser Calmeijer is aangesteld om twijfelgevallen te beoordelen wie wel of niet joods is. Hij heeft duizenden joden op die manier voor deportatie kunnen behoeden.

    Jaap, Ed en vooral Milly bedenken een constructie dat een niet-joodse huisvriend verklaart dat hij, in een periode dat Dé ernstig ziek is geweest, in zijn plaats de verwekker is geweest van de beide kinderen. En deze constructie is geaccepteerd, ondanks dat deze vriend een lange, blonde man is, die in niets op Ed lijkt. Bij het bekijken van de foto’s zegt Calmeijer: ‘Sie sind ihrer Mutter so ähnlich, dass für den Vater nichts übrig bleibt.’

    Eddy kan dan zijn jodenster afdoen en krijgt zelfs zijn fiets terug. Al in de oorlog zijn er grote huwelijks-problemen tussen Ed en Milly. Hoewel zij in de oorlog mogelijk zijn leven heeft gered en hem in ieder geval veel moeilijkheden met de Duitsers heeft bespaard, is na de oorlog hun huwelijk niet meer te redden en de scheiding volgt in december 1945. Ed wil er later niets over kwijt.

    Civiel recht

    Alhoewel de oorlogsjaren een moeilijk begin vormen van zijn loopbaan als advocaat, staat hij daarna als mr. Ed. Spanjaard al gauw bekend als een van de beste pleiters van Utrecht, vooral in civiel recht (onder andere verzekeringszaken). Hij doet veel aan het rechtsherstel van bedrijven die tijdens de oorlog als gevolg van de bezetting verliezen hebben geleden. Hij werkt keihard, tot wel zeventig uur per week en is een scherpzinnig advocaat, die soms nog oplossingen vindt als anderen het al hebben opgegeven.

    Zijn tweede vrouw, Nel de Groot, woont in Utrecht bij hem in de buurt en aan het eind van de oorlog hebben ze elkaar leren kennen. In maart 1950 treedt hij met haar in het huwelijk. Ze hebben geen kinderen, maar Nel heeft wel een dochter Victorien uit een heel korte vorige relatie. Ed, die dol op kinderen is, beschouwt Victorien als zijn dochter en heeft zich als advocaat zeer ingespannen om haar te echten, wat uiteindelijk gelukt is.

    Muziek

    Samen met Nel neemt hij actief deel aan het Utrechtse culturele leven, vooral in de sector muziek. Hij is medeoprichter van de Eduard van Beinumstichting, voorzitter van

    de Vrienden van het USO, het Utrechts Symfonie Orkest, en ook voorzitter van Engelenzang, sociëteit voor kunstenaars en kunstminnenden in Utrecht. Befaamd zijn de klassieke huisconcerten bij de Spanjaards. Zelf speelt hij uitstekend piano, zowel Bach, jazz, als schlagers, hoewel hij te kippig is om goed noten te kunnen lezen. In 1933 treedt hij op een feestavond op als pianist van het Utrechtse Studentenjazzorkest de Tziganeband. Speciaal voor deze avond verzorgt

    de fameuze trompettist Louis Armstrong met zijn band een optreden en in de pauze daarvan

    speelt Ed enkele pianosolo’s.

    spanjaardarmstrong

    Ed Spanjaard en Louis Armstrong

    Ed is een charmante man, die veel grappen maakt en een hartelijke vriend is. Maar door zijn slechte gezondheid is het onzeker of hij als zelfstandig ondernemer wel lang genoeg kan werken om een goed pensioen op te bouwen en te zorgen voor een goede oude dag voor Nel als hij er niet meer is. Juist voor mensen die dichtbij hem zijn, kan hij ineens erg op de penning zijn, hoewel hij een inmiddels een welgesteld man is geworden.

    Hij heeft allerlei mensen financieel gesteund, het liefst in stilte.

    In Berith Salom is Ed jarenlang secretaris geweest van BS II. Hij is, omdat hij nu met een niet-joodse vrouw is getrouwd, gemengd gehuwd en kan dus geen lid zijn van BS I.

    Verloren geld

    Ed Spanjaard is een slimme advocaat geweest, maar een slimme advocaat moet ook wel eens geluk hebben. Het gaat om de zaak van een joodse vrouw die in 1933 uit Duitsland is gevlucht samen met haar man. Deze man heeft in korte tijd in Nederland een textielhandel opgebouwd, maar moest als jood onderduiken.

    Hij heeft behoorlijk wat geld, ƒ 56.000, en hij komt met een zakenrelatie die hij vertrouwt overeen dat hij zes briefjes van ƒ 1000 zou verbergen en ƒ 50.000 zou onderbrengen in zijn bedrijf en dat hij dat, als de bezetting voorbij is, terug zou ontvangen. De joodse man wordt op zijn onderduikadres gepakt en vermoord in een concentratiekamp. Zijn vrouw overleeft de oorlog en probeert daarna het geld van haar man terug te krijgen.

    Dan blijkt het probleem dat de zakenrelatie in de oorlog overleden is aan een ziekte, maar hierover niets aan zijn vrouw heeft verteld.

    Er wordt wel gezocht in het huis van de zakenrelatie naar die zes bankbiljetten, maar er wordt niets gevonden. En in de boekhouding

    van de zakenrelatie is die in vertrouwen gegeven ƒ 50.000 niet te traceren. De vrouw van de zakenrelatie wil nu niet verder meewerken en de zaak zit muurvast, ondanks de inzet van advocaten. En dan wordt via via Ed benaderd. Zijn vrouw Nel schrijft hierover (Nel Spanjaard, Na zoveel jaren, 1987): “En zie, Ed, die wat betreft zijn persoonlijke leven nogal eens met klompen door de porseleinkast kon gaan, kon in zaken vaak door een uiterst subtiele benadering bereiken wat een ander voor onmogelijk zou hebben gehouden.” Ed krijgt de vrouw van de zakenrelatie toch weer zover dat ze wil praten en vervolgens dat ze bereid is om nog een keer heel goed in de kelder te laten zoeken, waar volgens de joodse vrouw die zes biljetten verstopt zijn. Als die worden gevonden is het duidelijk dat de joodse vrouw gelijk heeft. Alles wordt onderzocht, vloertegels worden gelicht, kasten worden verschoven. Maar na anderhalf uur zoeken is de conclusie dat er niets te vinden is. Als laatste verlaat Ed de kelder. Hij kijkt nog even rond en wil niet opgeven, overtuigd als hij is van het gelijk van zijn cliënt. Ineens ziet hij boven zijn hoofd een luchtkoker: “Hij steekt zijn hand erin, voelt halverwege een afwijkende rand en achter die rand ….. papier! Bevend van emotie trekt hij het eruit en hij heeft een enveloppe in zijn handen waarin zes briefjes van duizend! Als hij daarmee tenslotte de huiskamer binnen stapt, waar het gezelschap verslagen bij elkaar zit, barsten de beide hoofdrolspeelsters tegelijk in snikken uit!”

     

Comments are closed.