• Daar huil ik af en toe nog om (Kees Stip)

    Posted on maart 13, 2016 by in 1918 - 1960

    W.A.A. Aarts

    Herinneringen van W.A.A. Aarts over de periode voor (als jeugdspeler) en na de oorlog, toen hij het eerste team van Schaakclub Utrecht kwam versterken.

    Het is precies vijftig jaar geleden (1935), en ik was het enige jeugdlid van de schaakclub Utrecht (je leerde toen als jongetje voornamelijk eerbied voor oudere schakers; dit was een goede tijd!). Ik had, met wit spelend, zojuist een dame gehaald, en als ik deze partij won van de tegenover mij zittende grijsaard, dan zou ik promoveren naar een groep echte wedstrijdschakers.

    diaaartgrijsAarts met wit tegen “grijsaard”

    Nou, zover was het dan nu; met een licht, bescheiden tikje speelde ik 1.Dc8-g4 en sprak met zéér weinig stemverheffing: ‘Mat.’ Niet slecht voor zo’n opgewonden standje, dacht ik. Helaas! Mijn tegenstander had de geheimen van de stelling doorschouwd en speelde rustig 1… Kxg4 daarbij opmerkend dat mijn pion niet achteruit mocht slaan.

    Dat ik sindsdien geen wereldkampioen hen geworden, daar heb ik mee leren leven. Maar twee dingen vergeet ik nooit: de hond van Odysseus en deze partij. (Uit: ‘Philidor-forum’, clubblad Philidor Leeuwarden, 1984/1985)

    Terugblik op het eerste tiental

    In mijn studententijd hen ik lid geweest van de u welbekende hoofdklasseclub. Vijf seizoenen heb ik in het eerste tiental mee gespeeld, en in al die vijf seizoenen heeft dat tiental zonder invallers gespeeld, ondanks alle feesten, examens, lustra, roei- en voetbalwedstrijden die er in die tijd toch echt wel waren. Met trots herinner ik me een speler die zijn familie uit Amerika niet van de boot kon gaan halen, omdat hij moest schaken (dat was J.J. van Oosterwijk Bruyn) en met nog meer trots een speler die zijn huwelijksreis een dag onderbrak om voor zijn schaaktiental uit te komen (dat was ikzelf). Is een dergelijke toewijding al ouderwets geworden? (Uit: ‘De Schakel’, clubblad schaakclub Hilversum,1963, in antwoord op klachten over gebrek aan clubgeest.)

    De Schaakclub Utrecht honderd jaar oud? En ik was er al lid van toen het vijftigjarig bestaan nog voor de deur stond! Hoe is het mogelijk dat de tijd je zo bedriegt! Ik mocht in 1934, als veertienjarige (dat was toen uitzonderlijk) lid worden om schaken te leren, en ik kan het nog steeds niet; kon ik nog maar eens om raad vragen aan de voormannen van toen. Die konden pas schaken! Nog hoor ik de triomfantelijke stem van Jhr. Arnold van Foreest een ‘kleintje onversneden’ aankondigen. Meestal was dat een onverwacht schaakje, en als het erg sterk leek, kwam het ‘onder uit de doos’. Van Foreest was de onbetwiste meester (zelfs de jeugdige, vurige Eduard Spanjaard was bang voor hem); hij moet toen al zeventig zijn geweest. En ik heb hem bijna twintig jaar later nog een partijtje zien winnen van Jaap van Oosterwijk Bruyn; toen speelde hij, als ik me niet vergis, nog aan het eerste bord van Apeldoorn. Als negentigjarige had hij bedongen halverwege de partij een uurtje te mogen gaan slapen.

    Deze zéér sterke speler was vriendelijk genoeg om af en toe eens een partijtje met de jongelui te spelen. De helaas jong gestorven Gerrit Wessels en ik waren verreweg de jongsten er was toen nog geen sprake van officieel aangemoedigd ‘jeugdschaak’, maar Van Foreest kende ons toch wel. Gerrit placht na een nederlaag te zeggen: ‘Ja, zulke zetten als u doet, zie ik nog niet!’ en ik: ‘Ik wil iedereen direct mat zetten, maar u hebt veel meer geduld.’

    De oude heer vond dat geloof ik wel leuk. Tenminste, toen in 1935 de zevende partij Aljechin-Euwe in het Utrechtse Gebouw van Kunsten en Wetenschappen (ons clublokaal) werd gespeeld en Van Foreest op de publieke tribune in gesprek gewikkeld was met de legendarische Emanuel Lasker, wees hij mij aan als veelbelovende speler, waarop Lasker mij vriendelijk een hand gaf. Ik hoop dat de heren mij in het hiernamaals niet zullen verwijten dat ik mijn belofte niet heb gehouden.

    Simultaans door Aljechin, Tartakower en Spielmann

    Er waren toen natuurlijk nog veel meer formidabele persoonlijkheden op de club, tegen wie wij, jeugdspelers, met een heden ten dage niet meer gebruikelijk ontzag opkeken. Ik denk aan de voor ons ongenaakbare Dr. Robijns, bovendien nog bestuurslid, die tijdens ledenvergaderingen vrijwel onafgebroken aan het woord was om alles en iedereen met vlijmende en voor ons meestal onduidelijke kritiek te bestoken, maar die onze bewondering wegdroeg als hij Aljechin en Tartakower in vloeiend Frans en Spielmann in vloeiend Duits welkom heette, waarna de grootmeesters prompt overgingen tot het wegvegen van veertig transpirerende clubleden.

    Aljechin keek je hij iedere zet verontwaardigd aan, alsof hij zeggen wou: ‘Wat, ben je nou nog niet naar huis?’ Tartakower knikte steeds waarderender, naarmate je dichter hij het mat kwam, en Spielmann morste koffie met slagroom op je bord. Moeilijk benaderbaar waren voor ons ook mensen als notaris Ten Noever de Brauw, die ik later als een bescheiden en aardig mens leerde kennen, en Dr. Schuckink Kool, die (ook later) alleen via Eduard Spanjaard informeerde hoe het met me ging. Ja, het was toen een deftige club, maar het waren toch gewoon schakers en kapper De Brie genoot evenveel respect als de anderen. Met de jongere eerste-tientallers, A. den Hartoog en F. Wieger Kokje, die we eerst ook slechts van verre bewonderden (toen ik nog op school zat, kwam ik Den Hartoog eens tegen in de Domstraat; ik kon er niet over uit dat zo’n beroemd schaker zich op een gewone fiets tussen de mensen bewoog), werden op de zaterdagmiddagen al spoedig luidruchtige vluggertjes gespeeld; Spanjaard en Van Steenis stonden nog wat verder van ons af.

    De allerbelangrijkste man in die vooroorlogse periode was voor mij echter G.M. Bruins, die alles op de club regelde en daarbij altijd aardig en welwillend bleef. Ik heb hem tot zijn dood toe gekend en ik heb, hoewel ik af en toe een lastig portret was, nooit een onvriendelijk woord van hem gehoord.

    Jeugdspelers van voor de oorlog

    Al bladerend in oude boekjes en schriften vond ik de volgende partij, in 1935 met wit gespeeld tegen M.M. Schoep. Die was toen ook lid van de S.C. Utrecht; hij zal ongeveer 17 jaar oud zijn geweest. Hij was, met de helaas al tien jaar geleden overleden Andries Oostrijck, degene die mij echt serieus aan het schaken heeft gebracht. Later is hij vooral in de SGS zeer bekend geworden als wedstrijdleider.

    Het partijtje is misschien wel aardig om te laten zien dat de jeugdspelers van vijftig jaar geleden (mijn leeftijdgenoten waren toen de gebroeders Orbaan, Frans Henneberke, de gebroeders Van Santen uit Den Haag, Andries Oostrijck, Fenny Heemskerk en anderen) toch wel wisten te profiteren van de nog geringe trainingsmogelijkheden en de voor hen moeilijk bereikbare literatuur.

    W.A.A. Aarts – M.M. Schoep
    Utrecht, 20 oktober 1935

    1.d4 e6 2.c4 f5 3.Pf3 Lb4+ Van Aljechin afgekeken.
    4.Ld2 Lxd2+ 5.Pbxd2 Pf6 6.Dc2 O-O 7.e3 d5 8.Pe5 “Speelt op de verzwakking van g6 … wil later de diagonaal b1-h7 openen door g4 enz.”, staat in mijn schrift. Een goed plan, vind ik nu nog, en het wordt consequent uitgevoerd.
    8…Pe4 9.Ld3 Pd7 10.Pdf3 Pxe5 11.Pxe5 Pd6 12.O-O-O Pf7 13.Pxf7 Txf7 14.Tdg1 a5
    diaaartsschoep15.g4 c6 16.Tg3 Dd6 17.c5 Dc7 18.h4 h6? 19.gxf5 exf5 20.Tg6 f4 21.e4 dxe4 22.Lxe4 f3 23.d5 Df4+ 24.Kb1 Lf5 25.Lxf5 Dxf5 26.Dxf5 Txf5 27.dxc6 Txc5 28.Thg1 Te8 29.Txg7+ Kh8 30.cxb7 Tb8 31.Tg8+
    en zwart geeft op.

    1-0

    .

    .

    .

    Leerling van Lasker

    Over moeilijk bereikbare literatuur gesproken. Rond deze tijd kwam schaakmeester Davidson hij ons aan de deur om zijn boekje over de Caro-Kannverdediging te verkopen, maar dat was helaas een luxe die wij ons niet konden permitteren. We kunnen ons nu niet meer voorstellen hoe schaars het geld toen was. Toch had ik, dankzij de door Bruins beheerde bibliotheek, Euwe en Nimzowitsch al gelezen, en vooral Laskers Lehrbuch… Later heb ik herhaaldelijk gelezen dat Lasker zo’n groot pragmaticus was dat hij eigenlijk ‘geen leerlingen had’, maar toen had hij er in ieder geval één. En ik heb niet alleen een beetje schaken van hem geleerd, maar hij heeft me ook laten zien dat Kants Kritik der reinen Vernunft spannender lectuur oplevert dan veel avonturenromans.

    In 1938 moest ik helaas afscheid van de club nemen; er moest in die moeilijke tijd gewerkt en gestudeerd worden. Toen kwamen de mobilisatie en de oorlog, voor mij een turbulente tijd, waarin het schaken geheel op de achtergrond raakte. Begin 1947 kwam ik uit Engeland terug met het vaste voornemen weer een geregeld, studieus en rustig leven te gaan leiden. Daar hoorde het schaken natuurlijk weer hij; tot mijn eigen verbazing won ik in de SGS-competitie (voor Oog in Al) letterlijk alles, en ook in de tweede groep van de Schaakclub Utrecht scoorde ik honderd procent, hetgeen enige sensatie verwerkte. Toen ik eens de kans kreeg een vluggertje met Eduard Spanjaard te spelen en mij netjes aan hem voorstelde, zei hij: Ja, ik weet wel wie u bent, u komt immers in het eerste.Toen had ik als schaker al meer bereikt dan ik ooit gedroomd had en de tijd die ik in het eerste heb meegemaakt, 1948-1953, is misschien mede daardoor wel de mooiste van mijn leven geweest: werken, studeren, liefhebben, schaken, schrijven, het ging allemaal even intensief. Het maatschappelijk optimisme dat toen in Nederland heerste, had daar natuurlijk ook mee te maken; dat was een goede achtergrond, maar ik weet zeker dat de geestdrift die toen kenmerkend was voor onze schaakclub, een stimulerende invloed op ons hele leven had. Ondanks al het scepticisme dat tegenwoordig in de mode is, blijf ik daarom geloven in de culturele betekenis van het schaken.

    De betekenis van Olivier B. Bommel

    Als twee mensen hetzelfde lezen, lezen ze vaak niet hetzelfde; dat is u zeker ook wel eens opgevallen. Zo heeft Donner eens geschreven dat de Bommel-dingen van Marten Toonder over dieren gingen; mijns inziens gaan ze over menselijk onbenul en menselijk fatsoen. Ik wil hiermee zeggen: als u mocht denken dat dit stukje over mij gaat, dan vergist u zich. Het gaat over de belangrijke, positieve invloed die het schaakleven op een mens kan hebben, en meer speciaal over de nu honderdjarige Schaakclub Utrecht, die ik van harte toewens dat zij nog vele jaren lang tot het geluk en de ontplooiing van haar leden zal mogen bijdragen.

Comments are closed.