• Artikel 10.2

    Posted on februari 23, 2016 by in 1960 - 2016

    Schaakregels

    Robert Beekman

    NB: dit artikel is uit 2002. Het is niet onmogelijk dat wat hieronder staat inmiddels niet meer klopt. Het staat hier toch in deze rubriek omdat een aantal gebeurtenissen op SCU (hieronder beschreven) de aanleiding tot dit artikel vormen.

    Artikel 10.2 volgens FIDE reglement 1997

    In het FIDE reglement van 1997 staat een interessante regel. Het is me opgevallen dat op de club een aantal mensen wel weten wat hier in staat en een aantal mensen niet. En dan is er ook nog een groep op de club die denkt te weten wat er in staat maar dat helaas toch niet doet. Een goede reden om er een keer dit artikel aan te wijden.

    Eerst de letterlijke tekst van artikel 10.2:

    Artikel 10: Versneld beëindigen.

    10.1 “Versneld beëindigen” betreft de laatste fase van een partij waarin alle resterende zetten moeten worden gedaan in een beperkte bedenktijd.
    10.2 Als de speler minder dan 2 minuten op zijn klok over heeft, dan mag hij remise claimen voor zijn vlag valt. Hij moet de klokken stilzetten en de arbiter waarschuwen.

    1. Als de arbiter ervan overtuigd is dat de tegenstander geen poging doet de partij op een normale manier te winnen, of dat het niet mogelijk is om op een normale manier te winnen, dan moet hij de partij remise verklaren. Anders moet hij zijn beslissing uitstellen.
    2. Als de arbiter zijn beslissing uitstelt, dan kan aan de tegenstander 2 minuten extra bedenktijd worden toegewezen en gaat de partij verder in aanwezigheid van de arbiter.
    3. Als hij zijn beslissing heeft uitgesteld, dan kan de arbiter de partij alsnog remise verklaren, zelfs na het vallen van de vlag.

    Artikel 10.3 en 10.4 laat ik voor wat ze zijn.

    De regel 10.2 geldt aldus voor het versneld uitspelen. Dat wil zeggen: in het laatste kwartier (als de veertig zetten voorbij zijn en de klok 15 minuten teruggezet is) van de partij. Dus in de eerste (of bij de KNSB in de tweede tijdscontrole) geldt deze regel uiteraard niet. Op zet 39 kan uiteraard geen remiseclaim op basis van artikel 10.2 gedaan worden.

    Daarnaast is het belangrijk te weten dat bij rapid deze regel ook geldt, maar bij snelschaken weer niet! Ik kom daar zo direct nog op terug, als u er getuige van kunt zijn hoe Jos Nooijen Vincent Diepeveen flest!

    En overigens, om de verwarring nog completer te maken: stel dat er twee uur voor de hele partij gegeven wordt. In dat geval zitten de spelers gelijk in het reglement ‘versneld beëindigen! Al vanaf de eerste zet!

    De regel van het legendarische artikel 10.2 impliceert feitelijk dat in de laatste fase de speler de klok stil mag zetten als hij (of zij, schakers zijn toch bijna allemaal mannen) zelf aan zet is en als hij minder dan twee minuten op de klok heeft. Hij roept dan de wedstrijdleider er bij en claimt remise op grond van artikel 10.2 van het FIDE reglement 1997.

    Dit is op zichzelf al handig om te weten. Stel je staat dik gewonnen, bent bezig de tegenstander mat te zetten, maar je ziet dat je het niet op tijd haalt en over 4 seconden door de eigen vlag haalt. Simpel weg klok stilzetten en remise claimen kan dan in elk geval dat halve puntje nog veiligstellen.

    En hoe het dus niet moet

    Om even een voorbeeld te nemen van hoe het niet moet: in het OKU van 2000 schijnt Coene met wit tegen Afek gespeeld te hebben. Op een gegeven moment staat Coene een dame tegen een toren voor, en allebei hebben nog zo’n vijf of zes pionnen (ik weet ook niet precies wat daar gebeurd is).

    Maar van de wedstrijdleider hoorde ik later dat Coene de klok stilzette terwijl zijn tegenstander aan zet was en terwijl hij zelf nog 2 minuut 14 seconden op de klok had. En dat kan dus niet worden toegekend. Igor Coene had zelf aan zet moeten zijn, en minder dan twee minuten op de klok. Hoewel een verkeerde claim bestraft mag worden, en Afek vroeg daar dus ook om bij de wedstrijdleider: dit was een verkeerde claim, dus waar blijft de straf die u hem gaat geven? De wedstrijdleider wees deze eis van Afek af, want er was geen opzet in het spel, en ik zou zelf hetzelfde gedaan hebben.

    Ik zou dan overigens Igor wel geïnformeerd hebben over de regel. Ik zeg dan bijvoorbeeld tegen Igor: “Igor, ouwe rakker, wacht even tot hij een zet gedaan heeft, en laat je secondewijzer tot 1 minuut 58 seconden lopen en kom dan bij me terug.” Ik had de claim dan vervolgens toegewezen. Overigens, niet elke wedstrijdleider ziet het als een taak om de spelers te informeren over de regels, en had Igor hetzelfde gezegd als ik. Immers: de spelers worden geacht de reglementen te kennen! Van voor naar achter, en van links naar rechts (hossen is ook in schaken toegestaan). Dus de gemiddelde scheidsrechter zal niet geneigd zijn om kennis te delen, want kennis is macht. En daarvan is bij dit artikel 10.2 duidelijk sprake. De gemiddelde scheidsrechter zal immers zeker niet over artikel 10.2 informeren, want veel scheidsrechters zien dit artikel als een hopeloze crime!

    Maar laten we teruggaan naar Coene – Afek: Nationale Arbiter Rob Aurich heeft de claim van Coene echter afgewezen! De partij is doorgegaan in bijzijn van deze Nationale Arbiter. Afek heeft toen in de hectische tijdnood van Coene een tweetal pionnetjes gepakt (nog steeds staat hij toren tegen dame achter) en Coene door de vlag geschoven.

    Achteraf had Coene alsnog remise gegeven kunnen worden op basis van 10.2.c (zie hierboven), wat ik zelf overigens ook gedaan zou hebben. Dat Afek twee pionnetjes gepakt heeft is geen bewijs van ‘vooruitgang’, maar bewijs dat mensen in tijdnood fouten maken. Afek deed feitelijk niets anders dan de toren heen en weer schuiven, wachtend op een fout. En nog steeds heeft Coene die dame tegen een toren (als Coene de dame had weggegeven was het een ander verhaal geweest). Maar dit toekennen van remise is niet gebeurd. De precieze stelling kende ik niet, maar ik heb dit voorbeeld in de scheidsrechterscursus die ik gedaan heb, voorgelegd aan Rob Hartoch, ook Nationale Arbiter, en die zou de remiseclaim wel toegekend te hebben. Ook na afloop. Ik vrees dat het echter onvermijdelijk is dat er vele meningsverschillen over dit artikel zullen blijven bestaan.

    De sterkste speler van de club is voortaan scheidsrechter!

    Het geeft maar eens te meer aan hoe moeilijk dit artikel 10.2 ligt. Door veel arbiters wordt dit reglement vervloekt omdat het een beroep doet op het schaaktechnisch inzicht, en de meeste scheidsrechters zijn nu eenmaal niet de allerbeste schakers, want anders zaten ze zelf wel achter dat bord. Eigenlijk moet je als scheidsrechter minimaal 2300 hebben, want alle eindspelen moet je in je kop hebben, alsook een perfecte taxatie kunnen maken van een bepaalde stelling. Rob Hartoch heeft die 2300 +, of in elk geval de kennis die daarvoor nodig is. Er komen immers allerlei stellingen op het bord die grensgevallen zijn. En dan is het aan de scheidsrechter om de zeer moeilijke beslissing te nemen. En dat scheidsrechters het niet hiermee met elkaar eens zijn, is in het verleden meer dan eens gebleken. Vandaar ook dat ik zonet zei dat dit artikel een hopeloze crime is voor de gemiddelde scheidsrechter. Zeker als de spelers een rating hebben die 500 punten hoger is en die vervolgens met allerlei schaaktechnische argumenten hun claim gaan ondersteunen, terwijl die scheidsrechter vervolgens maar amper begrijpt wat er gezegd wordt.

    Het is interessant om het voorwoord van de FIDE regels er bij te halen. Daar wordt gesteld dat de Regels voor het Schaakspel niet alle mogelijke situaties kunnen dekken. En dan citeer ik nu letterlijk uit dit voorwoord: “In de regels wordt er vanuit gegaan dat arbiters over de vereiste bekwaamheid beschikken, een goed beoordelingsvermogen hebben en volstrekt objectief zijn. Een te gedetailleerde beschrijving van een regel kan ertoe leiden dat de arbiter niet in volle vrijheid kan beslissen en zou hem daardoor kunnen beletten de oplossing van een probleem te vinden, gebaseerd op billijkheid, logica en bijzondere omstandigheden.”

    Ferme taal! Met andere woorden, er wordt een ‘goed beoordelingsvermogen’ genoemd, en een goed beoordelingsvermogen van gedrag kan iedereen hebben, maar een ‘goed beoordelingsvermogen’ dat gerelateerd is aan schaaktechnisch inzicht vraagt nogal wat. En wat zijn overigens ‘bijzondere omstandigheden’? Niemand weet het! Het wordt nergens beschreven en iedereen kan daar een eigen invulling aan geven. Het beroep op de ‘bijzondere omstandigheden’ betekent overigens dat elke regel van het schaakspel op losse schroeven gezet wordt. Want ook al lijkt de regel heel duidelijk te zijn, in het verleden zijn er meerdere scheidsrechters geweest die, een beroep doende op die bijzondere omstandigheden, anders besloten hebben.

    Het meest absurde geval las ik vorig jaar in Schaakmagazine. Een Nederlandse jeugdspeler zocht (in ik geloof het Europees kampioenschap) een dame toen de pion promoveerde. Hij kon die niet vinden en zette een omgekeerde toren op het bord. Toen de scheidsrechter een paar zetten voorbij kwam, pakte deze verontwaardigd de omgekeerde toren en zette die weer gewoon. Vanaf dat moment was de dame een toren geworden!

    Ik vroeg in de scheidsrechterscursus waar dat recht beschreven wordt, en waar zo en zo beschreven staat dat de jeugdspeler fout gehandeld had. Is deze actie van die bewuste scheidsrechter niet in strijd met het FIDE reglement? Nee! Echter, in Nederland zou geen enkele scheidsrechter zo handelen, en op zichzelf is het volkomen flauwekul wat die man daar gedaan heeft. We kunnen maar één ding concluderen: die man kan gewoon niet schaken.

    En zoals ik al zei: de beste speler van de club moet voortaan scheidsrechter zijn!

    Back home

    Maar nu terug naar onze club. Vorig jaar ontstond in de partij Helgason – Stellwagen de volgende stelling:

    diaart10s1Ik weet niet meer precies hoe het stond, maar Helgason werd door zijn vlag gedrukt. Hij had deze stelling geforceerd op het bord kunnen krijgen en op basis van deze mogelijkheid remise kunnen claimen, want hoeft zijn koning alleen maar rond veld h1 heen en weer te spelen. De pion staat toch op de verkeerde kleur. Maar wat doet Reynir: hij zegt achteraf, als zijn vlag gevallen is, dat dit een remise stelling is! Ja! Dat klopt! Als hij het geclaimd had voordat zijn vlag viel, had hij het gekregen ook!

    .

    .

    stellwagen

    Daniel Stellwagen heeft toen hij jong was een aantal jaar voor SCU gespeeld. In de KNSB en ook in de invitatiegroep.

    helagson

    Reynir Helgason heeft rond de eeuwwisseling langer voor SCU gespeeld.

    Dit jaar dan. In de invitatiegroep speelde Jelmer Jens met wit tegen Pieter Nieuwenhuis. Pieter stond de hele tijd goed, vergooit in de tijdnood van zijn tegenstander de mogelijke winst, het voordeel en later zelfs de partij. Op een gegeven moment heeft Jelmer 17 seconden op de klok. Ik geloof dat ongeveer de volgende stelling op het bord stond (ik weet dat niet meer, maar het gaat om het idee, niet om de precieze stelling):

    diaart10s2In een vergelijkbare stelling biedt Jelmer (met wit) Pieter remise aan. Want Pieter was bezig hem door de klok te schuiven en Jelmer had ongeveer 17 seconden. Ik weet niet precies wat er gebeurde, maar Pieter zei volgens mij dat hij per ongeluk al een stuk aangeraakt had en daarom het remisevoorstel niet mocht aannemen. Een zeer discutabele opvatting! De regels zijn inderdaad zwart – wit, maar in bijzondere omstandigheden zoals deze (tijdnood!), waarbij de gebeurtenissen elkaar vliegensvlug opvolgen, had ik het als scheidsrechter geaccepteerd al had hij de remise aangenomen.

    Want het remise aanbod vindt namelijk bijna tezelfdertijd plaats als het aanraken van het stuk.

    Maar waar het mij om gaat is dat Jelmer op dat moment gewoon zijn klok had stil moeten zetten, de scheidsrechter er bij had moeten roepen en vervolgens remise claimen volgens artikel 10.2. Geen poot tussen te krijgen. En dat ken ik vervolgens gewoon toe.

    Overigens ging de partij door en zette Jelmer Pieter mat, met nog vier seconden op de klok.

    jensnieuwenhuis

    Jelmer Jens tegen Pieter Nieuwenhuis

    Nog een interessant voorbeeld. Ook uit de invitatiegroep van dit jaar. Dit keer Joost Mellegers tegen Arie Schwartz. Op een gegeven moment was er de volgende stelling bereikt. Joost had nog zo’n 38 seconden op de klok. Arie aanzienlijk meer tijd.

    diaart10s3Joost Mellegers (wit) biedt remise aan! Arie Schwartz wijst dit af!

    Arie is op dit moment bezig met Joost door zijn vlag te spelen, hoewel hij iedere keer wel vooruit gaat in de zin van hij is ergens mee bezig. Hij is dus niet bezig met doelloos heen en weer schuiven, wat overigens ook een reden is om remise te geven. Dus stel dat Arie bij wijze van spreken nog een zwarte pion op g7 er bij zou hebben, en vervolgens met het paard heen en weer gaat spelen of in elk geval geen poging doet om te winnen, dan is dat ook een reden om een remiseclaim toe te kennen.

    Lees 10.2 hieromtrent nog maar eens goed op na.

    Maar in elk geval, Joost had hier de klok kunnen stilzetten en remise kunnen claimen. Ik zou dat toegekend hebben. Wit hoeft alleen maar met zijn pion op b2 eventueel de pion op c3 te slaan en vervolgens de loper voor de andere pion te offeren, of na c3 met de loper op d1 de pion op b3 te slaan zoals in de partij gebeurde. Dit is gewoon een remise stelling. Zwart kan niet op gewone manier winnen.

    Stel dat Arie zwaar protest aangetekend zou hebben, dan zou ik eventueel nog beleefd kunnen zijn (hoewel dat niet eens zou hoeven) en de partij laten doorspelen, maar kan ik na een tiental zetten de remise alsnog aan Joost geven of zelfs nadat hij door zijn vlag gegaan is. Zie 10.2.c hierboven.

    diaart10s4Dit was de stelling waarin Mellegers door zijn vlag ging. De remise is alleen maar duidelijker geworden. En ik verklaar de partij achteraf remise.

    Ik legde deze regels na afloop uit aan Joost, en hij vroeg mij achteraf of hij ook nu nog (vlag was al gevallen) remise kon claimen. Nee, dat kan dus niet. Alleen als hij in de partij remise geclaimd heeft, mag ik achteraf nog remise toekennen.

    .

    .

    .

    joostmellegers01

    Joost Mellegers.

    schwartz06

    Links Arie Schwartz, spelend voor het eerste team tegen het tweede team op het NK snelschaken.

    Grensgevallen

    Arie Schwartz vroeg overigens, na zijn partij tegen Joost Mellegers, of hij in zijn partij tegen mij remise had kunnen claimen. Hij had toen toren tegen toren plus loper aan mijn kant. Het antwoord daarop is dus nee. Wit heeft redelijke kans om te winnen, hoewel het inderdaad theoretisch remise is. Hij mag het evenwel 50 zetten proberen.

    Parallel hieraan kan een ander voorbeeld aangehaald worden. Rob Hartoch vertelde over een partij waarin wit toren plus paard had, en zwart alleen toren (veel moeilijker dan toren plus loper tegen toren sec). Zwart had 12 seconden op de klok en claimde remise. Op het moment dat hij later door zijn vlag ging, had wit in dit eindspel 14 zetten gedaan en was vooruitgang geboekt. Dit eindspel was overigens daags tevoren voorgekomen in een eindspel tussen Kasparov en Judith Polgar. Kasparov won dat eindspel vlekkeloos, hoewel ik begrepen heb dat de koning van Polgar toch al enigszins aan de zijlijn verdrongen stond. De speler met toren en paard dacht natuurlijk: wat Kasparov kan, kan ik ook.

    Dit geval is toen voor de arbitercommissie gekomen, met meerdere wijze heren die zich hierover gebogen hebben. Uiteindelijk is de claim afgewezen en heeft wit de winst gekregen. De reden hiervoor was de volgende. Het is wel degelijk mogelijk om op winst te spelen. De zwartspeler moet weliswaar fouten maken, maar wit heeft het recht om het 50 zetten lang te proberen. Nu kun je toch onmogelijk een speler bestraffen als de tegenstander toevallig te weinig tijd op de klok heeft en daarmee de tegenstander het recht ontzeggen om het nog 50 zetten te proberen. Dan had die zwartspeler zijn timemanagement maar beter moeten regelen.

    Overigens, en dat werd wel erkend: dit is een grensgeval. En zo zijn er nog meer grensgevallen.

    Het spektakel waar u op heeft zitten wachten!

    En dan nu natuurlijk naar het eindspel waar u de hele tijd op heeft zitten wachten! Het legendarische eindspel tussen Jos Nooijen en Vincent Diepeveen! U moet het zich voorstellen: we bevinden ons in de dampende arena van de snelschaakfinale 1999/2000! Dranklucht en rookwalmen en tetterende omroepers van de bridgeclub hebben zich om ons heen verzameld. Het gaat om de wedstrijd QuickFingers Diep tegen PokerBoy Jos! De spanning is om te snijden. En dan gaat de partij van start! Vliegensvlug schuiven de stukken over het bord, maar uiteraard kan PokerBoy Jos het ongelooflijke tempo van QuickFingers Diep niet bijhouden! Door de loop van de partij bouwt Diep een voorsprong van 2,5 minuut op. En dan, als de kruitdampen optrekken, ontstaat daar de volgende stelling. (Wederom: ik moet overigens al die stellingen uit mijn hoofd opdiepen, en kan best wel ergens fouten gemaakt hebben!)

    diaart10s5Pokerboy Jos (zwart) heeft hier zestien seconden op de klok! Hij zet de klok stil en zegt met stalen gezicht: jij doet helemaal geen poging om te winnen! Remise!

    Er valt een doodse stilte in de zaal.

    Ik word er bij gehaald, en tegen mij wordt vrolijk gezegd: jij bent scheidsrechter dus jij moet beslissen! Ik zeg dan dat ik de scheidsrechterscursus pas het komend (inmiddels afgelopen) najaar doe, en dat ik niet zou weten wat ik hierover moet zeggen. Evert de Graaf er bij gehaald, en die beweert dat het afhangt van god mag weten wat, in elk geval: een voor mij op dat moment onbegrijpelijk edoch zeer overtuigend klinkend verhaal en ik zou toch niet kunnen navertellen wat hij toen gezegd heeft. En uiteindelijk is dan toch de slotconclusie: we houden de regels aan van het SCU snelschaakkampioenschap en volgens die regels zou dit remise zijn. Zo!

    Maar nu, achteraf, nu ik de cursus scheidsrechter gedaan heb: de claim is gewoon flauwekul. Natuurlijk, en dat klopt wel, in een gewone partij, in de fase van het versneld beëindigen of in een rapidpartij, mag een claim gedaan worden volgens 10.2. Stel deze stelling zou in de fase van versneld beëindigen mij voorgelegd worden met remiseclaim, dan zou ik die claim vervolgens ook toegekend hebben. Zwart hoeft alleen maar de eigen loper op te offeren tegen de toekomstige vrijpion op de koningsvleugel, en dan heeft wit loper plus verkeerde randpion. Een kind kan de was doen!

    Maar in een snelschaakpartij mag volgens FIDE reglementen 1997 niet geclaimd worden op basis van 10.2! Dat staat daar heel expliciet vermeld. Ik citeer uit het FIDE reglement: “C. Snelschaak. (…) C5. Artikel 10.2 is niet van toepassing.” Aha! Dus daar heeft Jos Nooijen de grootste SCU-kenners van het wedstrijdreglement, Evert en Vincent, mooi bij de neus genomen.

    Mocht artikel 10.2 overigens wel degelijk van toepassing zijn geweest in het officiële snelschaakkampioenschap van Utrecht, dat gesponsord werd door onze grote weldoener Hypercube, dan zou dat toernooi door de FIDE ongeldig moeten worden verklaard. Want in het voorwoord staat heel expliciet dat een schaakbond of club de vrijheid heeft om regels in te voeren die meer gedetailleerd zijn, maar dat de regels in geen enkel opzicht in strijd mogen zijn met de officiële FIDE Regels voor het Schaakspel. (Hoewel, het feit dat Schaakclub Utrecht een snelschaaktoernooi organiseert zou natuurlijk wel als een bijzondere omstandigheid gekenmerkt kunnen worden.)

    Mag dan nu, nu de scheidsrechter het reglement verkeerd geïnterpreteerd heeft en een verkeerde beslissing genomen heeft, achteraf de uitslag nog gecorrigeerd worden? Welnu, Vincent had achteraf in beroep kunnen gaan tegen deze beslissing van die ene scheidsrechter die daar als een stuk onbenul heeft zitten handelen, bij de beroepscommissie of spelerscommissie, die Schaakclub Utrecht helaas niet heeft, maar die dan op dat moment ad hoc geïnstalleerd zou moeten worden. Als het toernooi voorbij is in ieder geval, en zelfs in sommige gevallen als de volgende ronde al begonnen is, vervallen de rechten tot beroep, doorgaans.

    diepmarlies

    Vincent Diepeveen en Marlies Bensdorp.

    nooijen06

    Jos Nooijen

    Claimen in snelschaakpartijen: ja of nee?

    Mag er dan zo en zo niet geclaimd worden in snelschaakpartijen? Tsja, ik ben zelf dol op dit soort onduidelijkheden en mogelijke interpretaties van regels. Echter, rond het punt ‘claimen in snelschaak’ bestaat grote onenigheid! Remise claimen is in gewone partijen mogelijk op basis van drie keer zetten herhalen of de 50 zetten regel. Maar dan moet de speler de zetten wel genoteerd hebben. Bij rapid en zeker bij snelschaak is dit doorgaans niet het geval. Maar als de zetten niet genoteerd worden, kan wel de scheidsrechter (ook bij versneld uitspelen) er bij geroepen worden, die vervolgens de zetten gaat tellen of noteren, en vervolgens kan ingrijpen op het moment van drie keer zetten herhalen of 50 zetten regel.

    Er zijn aldus sommigen die beweren dat claimen in snelschaken zo en zo niet mogelijk is. De regels zelf geven daar echter geen uitsluitsel over. Het kan ook gezegd worden dat in sommige (bijzondere?!?!) omstandigheden de scheidsrechter een remiseclaim kan toekennen.

    Ik laat twee stellingen zien.

    diaart10s6Toren tegen toren!

    Wit heeft 1 minuut en zwart heeft 2 minuten. Zwart is natuurlijk slim, die gaat gewoon klokje rammen! Wit roept echter scheidsrechter er bij met remiseclaim. De scheidsrechter gaat nu tellen en bij 50 zetten wordt remise toegekend. Mits wit niet door de klok gegaan is.

    Ik heb deze stelling overigens ook op het bord gehad in een gewone partij tegen Vincent Diepeveen. Ik had nog maar 60 seconden. Ik maakte me op om hardop te tellen bij elke zet en na 50 zetten de remise te claimen. Maar Vincent bood me gelijk remise aan.

    En het tweede voorbeeld.

    diaart10s7Bijna mat!

    Wit heeft 2 minuten en zwart heeft 3 minuten. Zwart, aan zet, speelt de hele tijd Df1 en Df2. Zwart speelt gewoon door. De volhouder wint! Op een gegeven moment zal de vlag van wit heus wel vallen. Wit schreeuwt moord en brand, scheidsrechter erbij, die telt drie keer, en de stelling wordt remise verklaard vanwege drie keer dezelfde stelling. Want ook al kan de speler niet noteren, de scheidsrechter mag dat wel.

    Alleen wel vanaf het moment dat hij er bij gehaald is, dus claims dat voorafgaand aan dat bewuste moment wel 100 zetten gedaan zijn met koning / toren tegen koning / toren, kan misschien best wel kloppen, maar daar heeft de scheidsrechter niets aan. “Heeft u die honderd zetten ook keurig netjes en goed leesbaar voor mij genoteerd, mijnheer???”

    Maar ja, dat heeft u ongetwijfeld wel op uw klompen aangevoeld, dan zijn er ook nog een heleboel van die heerlijke, hartstikke fijne, gezellige grensgevalletjes!

    Echter, nogmaals: over de mogelijkheid van remiseclaims in snelschaak is onder scheidsrechters geen eenduidigheid. Over de vraag of de claim van Jos terecht is zijn ze het wel allemaal met elkaar eens: nee dus!

    Verder: in snelschaak geldt op dit moment dat de zogeheten helpmat niet toegestaan is. De laatste zet hoeft de ander niet mee te werken. Dus, stel de zwarte vlag valt, en wit heeft Koning / paard / paard en zwart alleen koning, dan is het remise. Maar als wit Koning / toren heeft tegen zwart koning / paard, dan is het gewonnen voor wit. En als zwart Koning, dame, twee torens, twee paarden en zes pionnen heeft, en wit slechts koning en 1 pion, die door drie dubbelpionnen geblokkeerd wordt, dan wint wit evengoed als zwart door zijn vlag gaat. De remise claim met twee seconden op de klok (als zwart ziet dat het niet lukt om op tijd mat te zetten) wordt in snelschaak afgewezen, maar in rapid of versneld beëindigen toegewezen.

    En tot slot hierover: ik heb de voorstellen gezien die ingediend zijn bij het laatste FIDE congres van najaar 2000, en die leverden ongetwijfeld veel stof ter discussie op omtrent de huidige reglementen! Ik ben benieuwd hoe de nieuwe FIDE regels er uit zullen zien!

    U heeft God reeds aanschouwt: hij is uw intern wedstrijdleider

    Zoals gezegd: bijna alles in de FIDE reglementen is afhankelijk van het oordeel van de scheidsrechter. Die moet bijna onmenselijke keuzes zelf maken, en zelf gaan interpreteren wat de regels mogelijkerwijs bedoeld zouden kunnen hebben. Dat is overigens ook de bedoeling van de FIDE regels. Ik citeerde reeds de inleiding, die duidelijk maakt dat de FIDE denkt dat de flexibiliteit hopelijk ten goede komt aan de kwaliteit van het werk van de scheidsrechter.

    In het reglement van Schaakclub Utrecht staat overigens maar 1 regel: de intern wedstrijdleider heeft de leiding. Dit is een beetje parallel aan de FIDE regels, waarop mogelijkerwijs de interne competitie ook gebaseerd zou kunnen zijn (wordt overigens nergens genoemd). De parallel luidt: er is eigenlijk maar 1 regel in dit reglement, en die luidt dat de scheidsrechter of intern wedstrijdleider God is. De FIDE zegt letterlijk hetzelfde: laten we vooral hopen dat de scheidsrechters middels dit document goed en rechtvaardig hun werk doen!

    Bidden tot God is natuurlijk altijd toegestaan.

    Zeker nu u te weten bent gekomen dat God op de donderdagavond van 19.00 tot 01.00 uur aanspreekbaar is!

    Op het moment, echter, dat er regels vastgesteld zijn, is het belangrijk voor de gebruiker van de regels wat de achtergronden zijn. De slimme mensen onder u stellen uiteraard terecht de vraag: wat zegt de jurisprudentie? Deze mensen krijgen van mij bonuspunten voor de alternatieve competitie, want dat is precies waar het om gaat.

    De wetgeving komt immers volgens vaste principes tot stand. Allereerst zijn er de voorbereidende onderzoeken en commissies, dan komt de regering met een voorstel, discussie in de tweede kamer en tot slot is er het definitieve wetsvoorstel dat als het goed is ook nog door de eerste kamer komt. De wettekst komt in de staatscourant, maar heeft altijd toegevoegd een ‘Memorie van Toelichting’, die een samenvatting van de discussie in de Tweede en Eerste Kamer bevat (op hoofdlijnen en essentie natuurlijk). Die toevoeging is dan meestal datgene waar het feitelijk om gaat.

    Maar nog wezenlijker zijn de (proef)processen die vervolgens gevoerd moeten worden. Rond alle grensgevallen (die er altijd onvermijdelijk zullen zijn) komen dan meerdere rechters met oordelen en alle uitspraken van de rechters vormen tezamen de jurisprudentie. De rechters zullen dan vervolgens de wetteksten en de Memorie van Toelichting er bij halen en zeggen wat volgens hen er allemaal mee bedoeld is. Soms is dan de cirkel rond, als ministers besluiten de wetgeving aan te passen omdat men vindt dat deze of gene uitspraak van de rechter toch niet de bedoeling kan zijn. Dit alles is onderdeel van de discussie die in Nederland ons rechtsstelsel heet.

    Maar hoewel er meerdere arbitercommissies wellicht kunnen bestaan, er is geen officiële Memorie van Toelichting waarop beroepen kan worden! Verder worden alle uitspraken van de ‘rechters’ niet verzameld; er is dus geen overzicht van jurisprudentie. Verder is gebleken dat meerdere mensen vanuit Nederland allerlei vragen rond de FIDE Regels opgestuurd hebben naar het hoofdkantoor van de FIDE, maar dat men ook na zes jaar nog geen antwoord heeft gekregen, zelfs na herhaaldelijk aandringen hiertoe.

    Een simpel voorbeeld

    Laten we nu eens het volgende voorbeeld nemen: koning plus twee paarden tegen koning met pion. Het is bekend dat twee paarden tegen kale koning remise is. Maar als zwart een pion heeft, zijn er toch nog winstkansen. Als de pion de rij a5, b6, c5, d4, e4, f5, g6, h5 niet gepasseerd is, en de pion wordt geblokkeerd door een wit paard, is dit gewonnen voor de koning met paarden. Hoewel het nog de vraag is of wit het wel binnen 50 zetten zal lukken. Want vroeger gold hiervoor de 100-zetten regel, die overigens afgeschaft is.

    Als zwart, de partij van koning met pion op e4, remise zou claimen op basis van 10.2, kan de remiseclaim afgewezen worden. Wit heeft het recht om het 50 zetten te proberen. Als de zwarte pion op e2 staat en geblokkeerd wordt, kan de remiseclaim toegewezen worden. Maar wat als de pion op e3 staat? Er zijn wel degelijk mogelijkheden om te winnen als zwart niet begrijpt waar het om gaat. Maar ja, zelfs met de pion op e4 was het nog de vraag of het wel in 50 zetten zou kunnen geschieden. Wat nu te doen? Een typisch grensgeval. Overigens, sommige theoretici zeggen dat de pion op b5 of g5 ook nog te winnen is voor wit. Wat moeten we met een dergelijke onenigheid, als scheidsrechter, als toevallig die zwarte pion op b5 staat en geblokkeerd wordt door een wit paard?

    Een ander voorbeeld.

    diaart10s8Totaal geblokkeerde stelling

    Dit is remise, snapt iedereen. Maar stel dat we het hele bord volgooien met stukken, is het dan nog steeds remise te claimen? Of zouden we rekening moeten houden dat er nog veel fouten gemaakt kunnen worden, rekening moeten houden met potentiële stukoffers of te weinig profylaxis om die stukoffers tegen te gaan? Feitelijk verliezen stukoffers ongetwijfeld, maar mogen we het recht van een speler om kamikaze te plegen dan ontzeggen?

    .

    .

    Derde voorbeeld:

    diaart10s9Symmetrische remisestelling!

    Bij een ingewikkeld toreneindspel, waarbij beide partijen evenveel pionnen hebben en de stelling gelijk is, heeft een speler toch het recht om remise te weigeren en door te spelen. Het zou toch te gek voor woorden zijn als dan remise geclaimd en toegekend mag worden. Mensen kunnen toch fouten maken? Maar wat moeten we met bovenstaand diagram. Een speler heeft natuurlijk het recht om remise te weigeren, maar moet deze stelling dan tot op het bot doorgespeeld worden?

    En wat als we een pionnetje van deze symmetrische stelling afhalen of er bij doen?

    En de FIDE zwijgt, dat had u al begrepen.

    Het doet me allemaal denken aan Heidegger. Toen ik nog studeerde en cultuurfilosofie als eerste bijvak had, stelde ik menig docent de vraag: wat bedoelt Heidegger in zijn klassieke standaardwerk ‘Sein und Zeit’ met de woorden “das nichtende Nichts” ? Natuurlijk kreeg ik allerlei antwoorden, en er werd vooral verwezen naar de traditie van fenomenologie en het existentialisme waarbinnen Heidegger geplaatst kon worden, en vanuit het concept dat de mens in de wereld geworpen wordt en moet leren leven met de gedachte dat er na de dood dus ‘niets’ is (basisuitgangspunt van de stroming waar Heidegger toe behoorde), is deze gedachte niets anders dan verpletterend en vraagt het de mens om op eigen wijze zingeving aan het eigen leven te geven. Ja, zei ik dan, dat weet ik allemaal ook wel. Maar Heidegger koppelt ‘das Nichts’ aan schuldgevoelens, verantwoordelijkheid en ook aan het maatschappelijk bestel. Hoe moet ik dat dan zien?

    Ik heb nooit een bevredigend antwoord gekregen.

    Maar nu pas begrijp ik dat ik de tekst vooral in het toenmalige historische kader moet plaatsen. Dat was immers de tijd van Kafka, en in een samenleving die Kafkaesk is, moet menig burger inderdaad begrepen hebben hoe ‘nichtend das Nichts’ is, als verantwoordelijkheid en helderheid rond de uitgangspunten van de samenleving ver te zoeken zijn.

    Kortom: de FIDE is dus eigenlijk ‘das nichtende Nichts’ ! Nu begrijp ik Heidegger pas!

    De praktijk

    Een praktijk voorbeeld is mijn partij tegen Pieter de Groot.

    diaart10s10Ik heb als wit in deze stelling minder dan 1 minuut op het bord. Wit hoeft alleen maar met de witte loper van a1 naar b2 of c3 of d4 heen en weer te spelen. In deze stelling mag ik remise claimen op basis van 10.2. Ik vond zelf overigens op dat moment dat ik het toegekend zou hebben!

    Maar dan wel, als de zwartspeler het niet met me eens is, de gelegenheid gegeven hebben tot uitspelen, maar als bij het vallen van de vlag geen wezenlijke vooruitgang geboekt is (en daarom hoeft wit niet eens als een neuroot de stukken heen en weer te schuiven zodra hij zelf een remiseclaim gedaan heeft, want geef ik die loper weg, verlies ik echt de partij!), alsnog wit de remise toekennen.

    Maar ik had daarbij een praktisch probleem. Ik ben namelijk zelf de wedstrijdleider in onze interne competitie. Hoe moet ik dat dan doen? Moet ik de klok indrukken, “scheidsrechter!” roepen, mijn claim uitspreken, zelf me over het bord buigen en als scheidsrechter aan mezelf antwoord geven? “Ja, Robert, je hebt helemaal gelijk!”

    Ik heb mijn mond maar gehouden. En vreemd genoeg legde me dat geen windeieren, want Pieter speelde Kc6 Kc4 f6 Kb3 Kd5 en na exf6 kon ik een dame halen en zwart met een paar seconden op de klok nog mat zetten. Over onverdiend winnen gesproken.

    Achteraf kan ik echter niets anders constateren dan dat deze stelling een typisch voorbeeld van een grensgeval is. Natuurlijk kan de witte loper van a1 naar b2 of c3 en weer terug gaan. Maar er kan nog redelijk veel gebeuren in deze stelling. Wat als de zwarte koning helemaal naar de koningsvleugel gaat over f8 en g8? Het ziet er volslagen verkeerd uit, maar zwart mag het wel degelijk proberen.

    Achteraf twijfel ik daarom weer. Ook al is dit een remisestelling, heeft zwart dan niet het recht om, op gevaar van verlies, een onverantwoorde winstpoging te doen? Heeft zwart niet het recht om de stelling uit te melken en te kijken of wit ergens nog een fout maakt? Nee, achteraf denk ik dat de stelling niet remise gegeven had mogen worden!

    groot05

    Pieter de Groot.

    beekman02

    Robert Beekman

    Artikel 10.2 volgens FIDE reglement 2000

    Vorig jaar had ik een artikel geschreven over artikel 10.2. Het bleek een groot succes te zijn, want nadien werd de wedstrijdleider meerdere malen geconfronteerd met het te pas en meestal te onpas claimen van remise in doorgaans slechtere of verloren stelling.

    Inmiddels is het FIDE Reglement 2000 verschenen, is dit FIDE reglement vertaald naar het Nederlands, en heeft de KNSB over het een en ander een standpunt ingenomen. En met name 10.2 is in het nieuwe reglement veranderd. Een mooie aanleiding om dit artikel 10.2 opnieuw in het voetlicht te zetten.

    Eerst echter de letterlijke (nieuwe) tekst van 10.2.

    Artikel 10: Versneld beëindigen
    10.1 “Versneld beëindigen” betreft de laatste fase van een partij waarin alle resterende zetten moeten worden gedaan in een begrensde bedenktijd.
    10.2 Als de aan zet zijnde speler minder dan 2 minuten op zijn klok over heeft, dan mag hij remise claimen voor zijn vlag valt. Hij moet de klokken stilzetten en de arbiter waarschuwen.

    1. Als de arbiter er mee instemt dat de tegenstander geen poging doet de partij op een normale manier te winnen, of dat het niet mogelijk is om op een normale manier te winnen, dan moet hij de partij remise verklaren. Anders moet hij zijn beslissing uitstellen.
    2. Als de arbiter zijn beslissing uitstelt, dan kan aan de tegenstander 2 minuten extra bedenktijd worden toegewezen en gaat de partij verder in aanwezigheid van een arbiter, indien mogelijk. De arbiter dient de uitslag mee te delen nadat er een vlag is gevallen.
    3. Als de arbiter de claim heeft afgewezen krijgt de tegenstander twee minuten extra bedenktijd toegewezen.
    4. De beslissing van de arbiter inzake de artikelen 10.2 a, b en c is definitief.

    Nogmaals, het claimen van remise is alleen mogelijk in de fase van versneld beëindigen. Dat wil zeggen, in het kwartiertje dat dus uitgevluggerd wordt. Op zet 39, of bij de KNSB wedstrijden in de tweede cyclus van 20 zetten voor een uur op zet 59, kan dus geen remise geclaimd worden volgens 10.2.

    Wat ook hetzelfde gebleven is, is de procedure. Die luidt: als je zelf aan zet bent moet je de klok stilzetten voordat je zelf een zet hebt gedaan, de wedstrijdleider er bij halen en remise claimen. Dus niet terwijl de klok nog loopt roepen dat je remise claimt, en al helemaal niet (wat ook gebeurd is) in de tijd van de tegenstander door de zaal roepen dat je remise claimt. Dit laatste kan, en zoals je hierboven leest moet zelfs bestraft worden met een tijdstraf (twee minuten minder of meestal de tegenstander twee minuten er bij).

    Wat wel veranderd is, is de besluitvormingsprocedure. In het FIDE reglement van 1997 werd veel opengelaten en overgelaten aan het schaakgevoel van de wedstrijdleider. Nu wordt, en ik moet zeggen dat dit een hele verbetering is, de wedstrijdleider drie mogelijkheden gegeven. De wedstrijdleider kan het er mee eens zijn, en dan wordt de remiseclaim toegewezen. De wedstrijdleider kan de claim afwijzen en dan wordt dus degene die claimt bestraft met tijdwinst voor de tegenstander. En de wedstrijdleider kan nog even aankijken. In dat geval houdt de wedstrijdleider wel zijn mond, want het reglement schrijft voor dat eerst gewacht moet worden tot een vlag gevallen is. Dan moet dus het besluit van de wedstrijdleider medegedeeld worden.

    Dit betekent allereerst dat degene die claimt dit niet zomaar voor de lol kan doen, of vanuit de gedachte “ik sta toch verloren en misschien wordt het nu wel remise want ik heb met de claim toch niets te verliezen”. Wie deze sport wil beoefenen zal merken dat er wel degelijk wat de verliezen valt.

    Ook als de wedstrijdleider het nog even wil aanzien, heeft deze de mogelijkheid om degene die claimt te bestraffen door de tegenstander twee minuten extra te geven. Dit zal dus waarschijnlijk moeten gebeuren als het een dubieuze claim is.

    De basis van het besluit om remiseclaims al dan niet toe te kennen

    Een belangrijke vraag is en blijft op basis waarvan de wedstrijdleider in moet stemmen met een remiseclaim.

    In het nieuwe reglement is naar voren geschoven dat een belangrijk element hierin de vraag is of de tegenstander al dan niet een poging doet om tot winst te komen. Dit betekent dat het doelloos heen en weer schuiven van de tegenstander een belangrijk besliscriterium is om een remiseclaim al dan niet toe te kennen. Ook al staat de tegenstander bij wijze van spreken twee torens voor en huizenhoog gewonnen, dan zou dit nog voldoende kunnen zijn om remise toe te kennen, want “hij heeft wel twee torens meer maar schuift mij door mijn klok heen met doelloos spel”.

    De vraag of de tegenstander een poging doet om te winnen is echter niet het enige criterium. Er wordt ook gezegd (lees 10.2.a opnieuw) dat remise toegekend kan worden als het niet mogelijk is om op normale wijze te winnen. Let wel: er staat niet of de tegenstander op reglementaire wijze kan winnen (Koning Loper tegen Koning bijvoorbeeld). Er staat: als het niet mogelijk is om op normale wijze te winnen.

    En wat is normaal? Daar wordt niets over gezegd. En uiteraard biedt dit weer voldoende stof voor discussie. Ik zou zelf zeggen dat de stelling dusdanig remise moet zijn dat alleen blunders of meerdere fouten de partij uit handen geven. Een speler moet wel een kans krijgen om toch nog te kunnen proberen in remisestelling op winst te spelen. Anders wordt deze bestraft voor het feit dat de tegenstander toevallig minder dan twee minuten op de klok heeft.

    Echter, stel dat wit een dame en koning heeft en zwart een koning en twee pionnen, niet verder dan de vierde rij. Wit heeft minder dan twee minuten. Wit raakt in paniek en het lukt hem niet om mat te zetten. Hij claimt remise en denkt dan in ieder geval het halfje in bezit te hebben. Maar de intern wedstrijdleider zou dit kunnen afwijzen met als reden dat, zolang zwart een poging blijft doen om te winnen, dat wil zeggen een poging doet om met de pionnen naar voren te gaan, de partij door moet gaan. Ik heb zelfs begrepen dat een aantal wedstrijdleiders dit standpunt ook zijn toegedaan.

    Ik ben het er zelf in elk geval niet mee eens. Want het tweede besliscriterium is de vraag of de partij op normale wijze door de tegenstander gewonnen kan worden. En die kans is dus nul komma nul. Dat wit de dame weggeeft of niet er in slaagt eeuwig schaak te houden is nagenoeg onmogelijk. Dus ik geef de claimende witspeler met dame tegen zwart met koning en twee pionnen wel remise.

    Verder speelt er nog een addertje onder het gras een rol. Een bekende wedstrijdtechniek is de stelling uitmelken. Timman heeft er mooie dingen over gezegd. De kern van zijn betoog is dat het handig is om in remiseachtige stellingen of stellingen met een klein of groter voordeel eerst een tijdje doelloze zetten te doen. De tegenstander wordt zo murw gespeeld en snapt niet waar de ander mee bezig is. Deze werkwijze kan helpen om fouten uit te lokken of zelfs fouten te forceren. Ook Anand heeft wel eens gezegd dat het nuttig is doelloos te spelen. Gewoon wachten tot de tegenstander een fout maakt en dan keihard het puntje binnenhalen. Is hij trouwens ook goed in.

    Timman en Anand zouden het beter maar niet opnieuw moeten proberen, want als de tegenstander minder dan twee minuten heeft wordt dit bestraft met remise. Uiteraard is wat ik hier zeg volkomen flauwekul. Maar het geeft wel aan wat problematisch is aan artikel 10.2. Dus de tegenstander gaat ondoelmatig mijn zijn eigen tijd om en wordt vervolgens beloond als de tegenstander het dan even rustig aan doet? Juist omdat hij ondoelmatig met de tijd omging? En dan moeten Timman en Anand maar niet hun gevreesde melktechniek laten zien maar efficiënt progressie in hun stukken moeten demonstreren?

    U begrijpt het al: de FIDE en KNSB suggereren dat het een en ander nu goed geregeld is, maar de discussie is echt nog niet afgelopen. Wel moet ik toegeven dat artikel 10.2 enorm verbeterd en verduidelijkt is.

    En de intern wedstrijdleider blijft God…

    In het vorige artikel had ik hier ook al iets over geschreven. En het frappante is nu dat artikel 10.2 volgens mij het enige artikel is waarin hier expliciet iets over gezegd wordt. Er is nu een 10.2.d toegevoegd: het woord van de wedstrijdleider is niet alleen het woord van de profeet of de stem van de orakel, het is zelfs het woord van God.

    Beroep is niet mogelijk. Niet bij een beroepscommissie, niet bij de KNSB of FIDE, nergens niet. De beslissing van de wedstrijdleider is definitief.

    Dit is een opvallende zinsnede. In de inleiding staat wel dat de wedstrijdleider moet proberen zo goed mogelijk in de geest van de reglementen te handelen, maar zo expliciet in de tekst toevoegen dat de beslissing van de wedstrijdleider definitief is, is een boude stellingname. Dit betekent dat men bij de FIDE na de perikelen van de laatste jaren kennelijk geen zin heeft in het gezeur achteraf of waar dan ook. De wedstrijdleider heeft gewoon het laatste woord en daarmee uit.

    Veranderende regels

    Iedereen is het bekend dat bij snelschaken het slaan van de koning tot reglementair verlies leidt. Dat komt voort uit situaties als op het Hypercube snelschaaktoernooi van 2000. In dat toernooi bevecht Reinderman een lastig snelschaakpotje. Op een gegeven moment heeft hij nog maar 7 seconden; zijn tegenstander meer dan een halve minuut. Hij doet dan Ta1-a4,5. Viereneenhalf?? Ja, ergens tussen a4 en a5 in. Zijn tegenstander doet een willekeurige zet en Reinderman slaat de koning op h5. Claim!

    Een lange discussie ontstaat over de vraag waar nu die koning stond. Volgens de tegenstander van Reinderman op a4, volgens Reinderman op a5. Het idiote van dat moment is dat er een enorme groep toeschouwers om de bewuste partij staat, maar dat het allemaal zo snel gaat dat niemand precies kan vertellen wat de waarheid is!

    Dit was overigens tegelijkertijd een bekende truc. Heb je weinig tijd in de snelschaakpartij? Geen probleem, doe een halfslachtige zet en sla vervolgens de koning van de tegenpartij. Heb je toch nog gewonnen. Aan die truc (internationaal bekend) heeft de FIDE in 2001 een eind gemaakt. Wie de koning slaat heeft reglementair verloren. De klok moet stilgezet worden en vervolgens moet de claim kenbaar gemaakt worden.

    rabo1997reinderman

    Dimitri Reinderman, toen hij het toernooi van 1998 won.

    Dan nog een veranderde situatie. Die komt voort uit situaties als op het Hypercube snelschaaktoernooi van 2005. Daar speelt Epishin in de laatste ronde tegen Naiditsch. Hij heeft aan remise genoeg maar is niet van plan er een bloedeloze remise van te maken. Hij komt iets beter uit de opening, wint in de taktische fase een stuk, staat even later drie lichte stukken tegen een toren voor, en denkt dan “Laat ik de toernooi-overwinning eens stijlvol afsluiten met een prachtige mataanval.” Hij offert een stuk, opent lijnen naar de koning, en ai, dat valt tegen. Naiditsch verdedigt hardnekkig. Dan maar afwikkelen naar een gewonnen eindspel. Nu nog maar een stuk voor. Ook dat stuk wordt geofferd opdat Epishin eerder een dame kan halen en ondertussen moet er steeds sneller gespeeld worden want de seconden tikken weg!

    diahbi2005episnaidIn de linkerdiagram speelt zwart, Naiditsch Kd1. Epishin, er van uitgaande dat zwart natuurlijk Kb1 moet spelen, doet daarop Kd5. Epishin heeft nog maar een paar seconden; Naiditsch maar een paar seconden meer! Naiditsch haalt daarop met b1 een dame, maar pakt die niet. Epishin doet Dd4. Schaak. Naiditsch pakt zijn koning en wil Kc1 spelen. Epishin pakt de zwarte pion en zegt: hé, wacht eens even, dat kan niet, je moet eerst een dame pakken. Claim! En drukt de klok in. Naiditsch drukt ook op de klok (Ik heb toch net een zet gedaan?) en de vlag van Epishin valt. De klok wordt stilgezet. Epishin -0.00 seconden en Naiditsch één seconde.

    Wedstrijdleider erbij. Wat nu te doen? Hoop gepraat, hoop meningen, hoop onduidelijkheid. De wedstrijdleider zegt dat Naiditsch vanaf punt x een reglementaire zet moet doen. “Oke”, zegt Naiditsch, “dan ga ik nu een legale zet doen.” Maar ja, dat is makkelijk, de vlag van Epishin is immers al gevallen en anders valt ie bij de eerste zet die gedaan wordt. Best wezenlijk, want bij verlies heeft Epishin wel de titel (vanwege de winst op Baklan), maar moet het prijzengeld gedeeld worden. “Wat is hier aan de hand?”, roept de toernooileider, die er later bij komt. “Jij hebt het gezien”, wordt tegen mij gezegd, “je stond er met je neus boven op.” Dat klopt, en met mij zeker twintig anderen, maar ik stond aan de verkeerde kant van de klok en het ging allemaal zo snel! Ik weet niet eens zeker of de reconstructie van hierboven wel klopt! “Zullen we de partij maar remise geven?”, stelt de wedstrijdleider voor. Onduidelijk, half protesterend gemompel bij de spelers. Er komt geen zinnig woord uit. “Ja, doe maar. Geef maar remise. Volgens mij zijn ze het ermee eens.

    En zo won Epishin het Hypercube snelschaaktoernooi 2005.

    Copyright Fred Lucas All rights reserved

    Copyright Fred Lucas
    All rights reserved

    Rechts speelt Vladimir Epishin tegen Baklan, die hij in 2005 een half punt voor zou blijven.

    Een prachtig hoogtepunt van het snelschaaktoernooi, maar vandaag de dag zou er anders beslist worden! In 2009 heeft de FIDE namelijk besloten ook aan deze ellende een eind te maken. Artikel 7.4 zegt dat een promotie een onreglementaire zet is als de klok is ingedrukt terwijl niet aan alle eisen is voldaan (3.7e); dat is hier het geval want de pion is niet vervangen. Dus anno 2011 zou de claim van Epishin hem een reglementaire overwinning opgeleverd hebben!

    Ik heb navraag gedaan bij Koos Stolk van de Schaakbond (waarvoor hartelijk dank, Koos!) en hem ook nog eens die situatie voorgelegd bij het Europees kampioenschap van de jeugd een paar jaar geleden. De jeugdspeler haalde een dame en plaatste toen een toren omgekeerd op het schaakbord. Enige tijd later passeerde een wedstrijdleider het bewuste bord en reageerde door de toren weer terug te draaien naar de stand van de toren en mee te delen dat er verder gespeeld moest worden met toren! De plotselinge devaluatie van het materiaal op het bord leidde tot verlies van de jeugdspeler.

    Ik kan me nog herinneren dat er in Schaakmagazine hoogst verontwaardig gereageerd werd. Waar sloeg die belachelijke beslissing eigenlijk op, werd hardop afgevraagd en ik vond zelf ook dat de Nederlandse jeugdspeler groot onrecht aangedaan werd. Echter, Koos Stolk geeft hierop de volgende reactie: “De arbiter heeft correct gehandeld. Een omgekeerde toren is een slordig geplaatste toren. De speler moet in zijn eigen tijd het bord weer in goede staat brengen. Daarnaast als er een damezet wordt uitgevoerd mag de tegenstander de winst claimen (bij snelschaak)”.

    Hoeveel snelschakers hebben wel niet een toren omgekeerd op het bord gezet en daar schuine loperzetten mee gedaan? Het leidt evenwel tot reglementair verlies van de partij! Het is maar dat u het weet!

Comments are closed.