Gedichten

Schrijven en schaken liggen dicht bij elkaar. Prozaïsten als Multatuli, Bomans, Krabbé (Tim! Niet Jeroen! Tim!) en Van Eeden droegen of dragen de sport een warm hart toe. Maar ook de poëziewereld liet zich niet onbetuigd! Oud Zuylen heeft menig groot dichter geïnspireerd, en menig poëtisch meesterwerk over de club heeft later als basis gediend voor overbekende toppertjes als ‘Het Huwelijk’ van Elsschot, ‘De moeder de vrouw’ van Nijhoff en niet te vergeten J.C. Bloems ‘De Dapperstraat’. Naspeuringen in de archieven heeft geresulteerd in het terugvinden van de originelen van deze gedichten. We geven ze hieronder weer.

HET SCHAAKSPEL

Toen hij bespeurde hoe de nevel van de tijd
gedurende het spel zijn stelling kwam bederven
geen moog’lijkheden meer groot voordeel te verwerven
toen wendde hij zich af en vrat zich op van spijt

Hij vloekte en ging te keer en trok zich bij de baard
en mat de stand: geen kans meer op beloning
de lopers geblokkeerd, in het centrum zijn koning,
en op de a-lijn stond een stervend paard.

Opgeven deed hij niet, al zoog de tegenstand
het merg uit zijn gebeente, ’t was nauw’lijks te verdragen
de man die naderhand zo weergaloos kon klagen
maar vaak toch speelde als een natte krant

Hij dacht: ik sla het ros en steek het bord in brand.
ik jaag hem door zijn klok, wat hem zal leren
of als hij plassen gaat het bord omkeren
dan heeft die ander de verloren stand.

Maar nee, dat deed hij niet, want tussen droom en daad
staan regels in de weg en praktische bezwaren,
en ook weemoedigheid, die niemand kan verklaren,
en die des avonds komt, wanneer men slapen gaat.

Minuten gingen heen. Problemen werden groot
en men zag dat de man die zij de meester heetten,
bewegingloos en zwijgend achter ’t bord gezeten,
een godvergeten en vervaarlijke aanblik bood.

IK GING NAAR ZUILEN OM HET BORD TE ZIEN

Ik ging naar Zuilen om het bord te zien.
Ik zag het volle bord. Twee overzijden
die elkaar vroeger schenen te vermijden,
worden weer buren. Een minuut of tien
dat ik daar zat, op de stoel mijn bier gedronken,
mijn hoofd vol van de stelling, wijd en zijd
laat mij daar midden uit de oneindigheid
een stem vernemen dat mijn oren klonken.

Het was een man. De zetten die hij koos
kwamen onafwendbaar over ’t bord gevaren.
hij was alleen aan zet, mijn plan was loos,

wat hij zong hoord’ ik dat voze lied’ren waren.
O, dacht ik, o, de stukken in de doos.
Rotte bananen, zong hij, moet men niet bewaren.

DE NORBRUISLAAN

Natuur is voor tevredenen of legen.
En dan: wat is natuur nog in dit land?
Een stukje bos, ter grootte van een krant.
Een heuvel met wat villaatjes ertegen.

Geef mij de grauwe, stedelijke wegen,
De uit lelijk baksteen opgetrokken hal,
De schaakspelers, steeds minder in getal
Die zich in ’t duister naar hun sport bewegen.

Alles is veel voor wie niet veel verwacht.
Het schaakspel doet van zijn wonderen kond
Als de trouwe leden naar de zaal toe gaan.

Dit heb ik bij mijzelve overdacht,
Verregend, op een miezerige avond,
Domweg gelukkig, aan de Norbruislaan.